Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#997 Waarom zegt Jezus dat wonderen voor diegenen zijn die ‘ze voor zichzelf weten te benutten’?

Aan het begin van het Tekstboek zegt Jezus dat wonderen “naar diegenen worden geleid die ze voor zichzelf weten te benutten”, en zijn commentaar is ook dat alleen hij in een positie verkeert te weten ‘wáár wonderen kunnen worden verleend’. Wat ik niet begrijp is: zijn ze niet overal nodig? Heeft niet iedereen die op deze aarde rondwandelt en pijn lijdt wonderen voor zichzelf nodig? Jezus lijkt erop te zinspelen dat maar een aantal mensen wonderen nodig hebben. Kun je dit uitleggen?

Antwoord: Als je Een cursus in wonderen leest, is het heel behulpzaam in gedachten te houden dat Jezus dikwijls op een poëtische, symbolische manier tot ons spreekt. Als je zijn woorden uit de context haalt, kunnen ze soms in tegenspraak lijken met de totale boodschap van de Cursus. Maar hoe meer we de Cursus bestuderen, hoe duidelijker het wordt dat hij zichzelf niet tegenspreekt, maar wel steeds weer dezelfde thema’s naar voren brengt, met lichte variaties, in de hoop dat wat hij ons probeert te zeggen op een gegeven moment tot ons door zal dringen. We houden dat in gedachten en kijken nu naar de twee uitspraken waar jij een vraag over hebt.

Beide uitspraken komen voor in hoofdstuk 1 waarin Jezus uitlegt wat hij bedoelt met het term wonder. De meesten van ons hebben altijd gedacht dat wonderen buitengewone gebeurtenissen waren in de fysieke wereld. In de context van de Cursus laat Jezus ons weten dat een wonder alleen een omslag in de waarneming is: van het ego-denksysteem van zonde, schuld en angst, naar het denksysteem van vergeving van de Heilige Geest. Met andere woorden: een wonder is een volledig innerlijke gebeurtenis die alleen in de denkgeest plaats vindt en niets met de wereld te maken heeft. Wonderen lijken in deze wereld misschien een uitwerking te hebben, maar dat is een afspiegeling van het wonder, of de verandering in het denken, niet het wonder zelf.

Je zegt terecht dat iedereen die gelooft dat hij of zij hier is een wonder kan gebruiken. Dat is in feite precies wat Jezus ons probeert te vertellen. Wanneer hij zegt: “Wonderen zijn alleen in die zin selectief dat ze naar diegenen worden geleid die ze voor zichzelf weten te benutten” (T1.III.9:1), wil hij niet suggereren dat wonderen alleen maar ter beschikking staan van een paar mensen. Hij doelt juist op precies het tegenovergestelde door de zin te beginnen met “wonderen zijn alleen in die zin selectief…”. Hij laat ons weten dat er maar één betekenis is waarin wonderen niet universeel zijn, namelijk in de vorm die het wonder of de correctie in ons denken aanneemt.

De inhoud van een wonder is altijd een omslag van gedachten die schuld projecteren naar gedachten die liefde uitbreiden. Maar de specifieke corrigerende gedachte zal altijd in onze denkgeest opkomen op een manier die volmaakt geschikt is als remedie voor de specifieke gedachte die correctie nodig heeft gemaakt. Een voorbeeld: ik moet misschien een ouder vergeven die mij slecht behandelt, terwijl jij misschien je partner moet vergeven omdat je je door hem of haar verraden voelt. Te midden van onze pijn kunnen we ons in onze denkgeest tot Jezus of de Heilige Geest wenden en vragen om alles op een andere manier te zien. We krijgen dan allebei toegang tot vergevende gedachten die van toepassing zijn op onze specifieke strijd. Technisch uitgedrukt, zouden we kunnen zeggen dat zelfs in ons eigen denken, de vorm die de correctie lijkt aan te nemen in werkelijkheid de afspiegeling is van het wonder of de omslag, en niet het wonder zelf is. Maar dit is technisch gezien preciezer dan Jezus op dit punt in het Tekstboek hoefde te zijn.

Jezus zegt ook: “Dat het wonder op jouw broeders een uitwerking kan hebben die zich aan jouw waarneming onttrekt, is niet jouw zorg. … het handelingsaspect van het wonder moet onder mijn toezicht staan, omdat ik het gehele plan volledig overzie. De onpersoonlijke aard van wondergerichtheid staat garant voor jouw genade, maar alleen ik verkeer in een positie te weten wáár wonderen kunnen worden verleend” (T1.III.8:1, 4-5). Hij suggereert daarmee niet dat er mensen zijn die geen wonderen nodig hebben. Hij zegt ons gewoon dat hoewel het wonder een omslag in onze denkgeest is, wij niet moeten proberen controle over wonderen te krijgen, en te beslissen wanneer ze nodig zijn, of te bepalen hoe ze tot uiting komen. We moeten hem, als onze wijzere innerlijke leraar, vragen om zulke beslissingen te nemen.

Nogmaals, het wordt gemakkelijker om Een cursus in wonderen te begrijpen wanneer we die benaderen als poëzie of een symfonie, en niet als een nauwkeurig, wetenschappelijk rapport. Wanneer we onze aandacht te veel op de woorden richten, kan de Cursus niets meer lijken dan verspreide flarden melodie (om de beeldspraak van Jezus te gebruiken). Maar wanneer we ons bij hem voegen – en voorbij gaan aan de woorden en ons verbinden met de liefde die ze geïnspireerd heeft – zullen we zien hoe deze verspreide flarden melodie één alomvattend koor vormen (T31.VIII.11:5).