Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#811 Hoe verklaar je een intuïtief negatief gevoel jegens iemand anders?

Hoe verklaart Een cursus in wonderen een negatief gevoel/onderbuikgevoel dat ik intuïtief krijg als ik een bepaalde persoon tegenkom? Er is onlangs een nieuwe buurman hier komen wonen en ik krijg een sterk negatief gevoel over deze persoon – dat hij sociaal onaangepast kan zijn; iemand over wie ik me zorgen moet maken. Het is duidelijk dat hier sprake is van onjuiste waarneming in die zin dat ik deze persoon niet als een volmaakt kind van God zie en mezelf als kwetsbaar. Hoe wil Jezus dat ik met deze situatie omga? Wat is dit intuïtieve gevoel? Is het slechts een verlengstuk van mijn ego?

Antwoord: In Een cursus in wonderen leert Jezus dat de fundamentele aanvalsgedachte de beslissing van de denkgeest is om te stellen: ‘Ik ben een lichaam’. De identiteit met het lichaam wordt op die manier vastgesteld, samen met de schuld voor de ‘zonde’ dat de afscheidingsgedachte serieus werd genomen. Om de identiteit van het lichaam te behouden en te ontkomen aan de verantwoordelijkheid voor de aanval, wist de denkgeest de herinnering aan het maken van die keuze uit. Hij doet dit door de schuld te projecteren en de aanval buiten zichzelf te zien. Dit is in de wereld de ware bron van ieders aanval en angst voor aanval, met inbegrip van je intuïtieve gevoel: "Omdat jouw aanvalgedachten geprojecteerd worden, zul je een aanval vrezen. En als je een aanval vreest, moet je wel geloven dat jij niet onkwetsbaar bent. Aanvalgedachten maken je daarom kwetsbaar in je eigen denkgeest, want daar bevinden aanvalgedachten zich" (WdI.26.2:1-3). Het diepe gevoel van kwetsbaarheid is een afspiegeling van de schuld omdat je voor het ego hebt gekozen.

Zo wordt angst de kracht die in de wereld werkzaam is, en daarom is deze vol met aanvallen die variëren van schijnbaar onschadelijke tot kwaadaardige. Uit angst komt het enorme arsenaal aan verdedigingsmiddelen van het ego voort, dat wordt aangespoord door de strijdkreet van schuld: “doden of gedood worden” (H17.7:11). Daarom worden mensen, net als de rest van het dierenrijk, getraind om gevaar te voelen (soms met ‘onderbuikgevoelens’), zich ertegen te verdedigen en de vermeende vijand aan te vallen. Vanuit het perspectief van de leer van de Cursus is het belangrijk in gedachten te houden dat de bron van alle angst en kwetsbaarheid de schuld in de denkgeest is, omdat je ervoor kiest te geloven dat de afscheiding werkelijk is. De schuld wordt in vele verschillende vormen van aanval geprojecteerd, waarvan sommige volgens het oordeel van de wereld schadelijker zijn dan andere. De aanvaller en de angst van het slachtoffer hebben echter dezelfde bron in de denkgeest. Inhoudelijk zijn ze allebei even waanzinnig. Deze gelijkheid erkennen is een goed uitgangspunt voor het omgaan met degenen wier waanzin ons klaarblijkelijk nog meer angst inboezemt. In de Cursus onderricht Jezus dat de bron van angst niet de potentiële schade is wanneer iemand anders het lichaam aanvalt, maar dat de keuze van de denkgeest voor afscheiding dat is.

Maar hoewel hij ons vertelt dat de “denkgeest niet [kan] aanvallen of aangevallen worden” (T7.VIII.4:3), vertelt hij ons ook dat gedachten voor lichamen gevaarlijk zijn. (T21.VIII.1). Daarom is het verstandig om voorzichtig te zijn in de omgang met de wereld, en in het bijzonder met degenen wier angst tot uiting komt in een fysieke aanval op anderen. Noch hun angst, noch de schadelijke vorm die deze aanneemt, vermindert hun ware Identiteit als volmaakte zonen van God, maar het kan hen tot gevaarlijke lichamen maken om in je buurt te hebben: “Angstige mensen kunnen kwaadaardig zijn” (T3.I.4:2). Zolang aan enig geloof in het lichaam wordt vastgehouden, is er niets mis mee voorzichtig te zijn wanneer je meent dat er gevaar is voor lichamelijke schade. Dat is hetzelfde als medische hulp zoeken wanneer het lichaam ziek is. Er wordt ons niet gevraagd ons geloof in het lichaam, onze angst, of de kans op een daadwerkelijke aanval te ontkennen. Wat Jezus ons wel vraagt, is je gevoelens van kwetsbaarheid, angst of een verdedigende houding, te observeren en daarin de keuze te herkennen om je met de gedachte van afscheiding en het lichaam te vereenzelvigen, waardoor de ware Identiteit als Gods Zoon, die van ons en van de buurman, wordt ontkend. Erkenning van de ware bron van angst is een uitdrukking van dat “kleine beetje bereidwilligheid” (T26.VII.10:1) dat vereist is. Daarmee zien we onze buren niet langer als de bron van onze angst, en brengen we onze aandacht terug naar de behoefte aan genezing van onze eigen denkgeest. Dan bevinden we ons op z’n minst aan de basis van het probleem en kunnen de hulp van de Heilige Geest vragen om een andere keuze te maken. Dat is alles wat er gevraagd wordt.