Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#844 Als ik denk dat ik behulpzaam ben, betekent dat dan dat zoiets vanuit mijn onjuiste denken afkomstig is?

In het antwoord op V#589 over bovennatuurlijke krachten, zeg je aan de vraagsteller dat als hij of zij het precieze doel denkt te kennen voor iets dat ze doen of zeggen om iemand behulpzaam te zijn, dit waarschijnlijk vanuit hun onjuiste denken afkomstig is. Kan dat een algemene vuistregel zijn voor ieder van ons die dit pad volgt, zelfs als het niet over bovennatuurlijke krachten gaat: dat we in werkelijkheid niet weten waarom wat we zeggen of doen iemand behulpzaam kan zijn?

Antwoord: Ja, daar kun je praktisch zeker van zijn. En de redenering hierachter is dat bijna elke reden die we naar voren brengen voor wat behulpzaam is aan wat we doen, afkomstig is van het gezichtspunt dat we onszelf en anderen als lichaam zien, met specifieke behoeften (T1.VI.1,2). Maar vanuit het gezichtspunt van Een cursus in wonderen zijn er maar twee mogelijke redenen om iets te doen. Ofwel we willen onze investering in het ego-denksysteem versterken, ofwel we willen die investering door middel van vergeving loslaten. En wanneer onze aandacht op het lichaam gevestigd blijft, met uitsluiting van de denkgeest – waar zich het enige probleem en de enige werkelijke keuze bevinden – houden we onze verbintenis met het ego en zijn geloof in de werkelijkheid van de afscheiding en alle gevolgen daarvan in stand. Dat wil niet zeggen dat we dit bewust zo bedoelen, maar het ego wil dan ook dat we ons nooit bewust zijn van wat we werkelijk van plan zijn wanneer we naar zijn stem luisteren.

Als we de beeldspraak van de droom volgen die de Cursus gebruikt voor ons leven, zijn de redenen waarom we iets doen altijd afkomstig vanuit het gezichtspunt van de droomfiguren, en niet vanuit het gezichtspunt van de dromer, die wij in de gespleten denkgeest in werkelijkheid zijn. En al onze ogenschijnlijke redenen om iets te doen blijven de droom en alle figuren erin dus werkelijkheid verlenen en houden ons in slaap en aan het dromen, en dat is natuurlijk wat het ego beoogt. Maar wanneer ons denken juist is, zullen al onze keuzes ertoe leiden dat we ons in toenemende mate met de dromer vereenzelvigen, zodat ons begrip dat we alleen maar kiezen tussen de voortzetting van de droom en het ontwaken eruit groter zal worden (zie bijvoorbeeld: T4.I.4:4-7; T.10.I.2,3; T18.II).

En daarom zegt Jezus ons al in het begin van het Werkboek dat we nooit onvrede voelen om de reden die wij denken (WdI.5). We denken dat we in onvrede zijn omwille van wat de droomfiguren in de wereld lijken te overkomen. Maar Jezus probeert ons te helpen inzien dat we in onvrede zijn door onze keuze om een droom te dromen die de ego-inhoud van zonde, schuld en angst voorstelt, zodat we geen verantwoordelijkheid hoeven nemen voor onze keuze in de denkgeest voor het ego. En als niemand van ons ooit onvrede voelt om de reden die we denken, en onze onvrede niets te maken heeft met wat er in ons leven – de droom – gebeurt, hoe kunnen we dan specifiek weten wat er voor onszelf of voor iemand anders werkelijk behulpzaam kan zijn?

We zijn onszelf en anderen alleen maar werkelijk behulpzaam wanneer we ons herinneren dat we zelf maar één betekenisvolle keuze hebben: naar welke leraar we zullen luisteren om onze waarneming te leiden van wat ons en anderen lijkt te overkomen: het ego of de Heilige Geest (T26.V.I). En door ons die keuze te herinneren, herinneren we anderen er eenvoudig aan dat ze dezelfde keuze hebben (H5.III.2). Dat is de enige reden om iets te doen. De vorm van onze actie weerspiegelt dan ons besef van gedeelde in plaats van afzonderlijke belangen, maar het is nooit de vorm zelf die behulpzaam is. Het is altijd de onderliggende inhoud, die ons zachtjes de afscheidingsdroom uit zal leiden, naar een ontwaken tot het glorieuze Zelf dat we allen delen, en zijn (T22.IV.7:8).