Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#820 Als wonderen geen rangorde naar moeilijkheid kennen, onderwijzen alle werkboeklessen dan niet hetzelfde?

Het eerste wonderprincipe in Een cursus in wonderen is: “Wonderen kennen geen rangorde naar moeilijkheid”. Houdt dat niet in, dat als ik het Werkboek ‘correct’ zou doen, dat ik dan in staat ben door willekeurig welke oefening die ik in de Cursus doe ‘verlicht’ te worden (dus 365 kansen om God te bereiken)? Betekenen ze niet allemaal hetzelfde (namelijk dat ze verwijzen naar hetzelfde onuitsprekelijke ‘iets’ waarheen de Cursus ons slechts leiden kan, zonder dat hij dat expliciet zegt)? De lessen 70-75 lijken me tamelijk cruciaal; wat valt er verder te leren nadat “het licht is gekomen” en ik “de goede afloop van mijn lange onheilsdroom kan vieren”? Zodra ik de wereld volledig heb vergeven (al is het theoretisch), verdwijnt die dan niet en met Gods visie in mij … waarom staat deze passage niet aan het einde van het Werkboek?

Antwoord: Als je slechts één les volmaakt zou doen, dan zou je het doel van de Cursus hebben vervuld.

Echter, de reden dat er 31 hoofdstukken zijn en 365 lessen staat gewoon samengevat in een van de lessen: “Deze woorden [van welke les dan ook] uitspreken is niets. Maar deze woorden menen is alles. Als je ze maar één moment kon menen, dan zou voor jou geen verdriet meer mogelijk zijn, in welke vorm, en waar of wanneer dan ook. De Hemel zou weer geheel tot het volle bewustzijn zijn gebracht, de Godsherinnering totaal hervonden, en de opstanding van heel de schepping volledig zijn beseft.” (WdI.185.1:1-4) Als we de ervaring die in deze passage wordt beschreven niet hebben gehad, mogen we concluderen dat we deze woorden niet volledig hebben gemeend, zelfs niet voor een ogenblik. De toewijding is nog zwak, de weerstand is sterk, en de bereidwilligheid wankelt. Met andere woorden, we zijn bang voor het ontwaken tot de waarheid. En dus hebben we tenminste 365 duizend mogelijkheden om te leren aanvaarden dat we thuis zijn in God. Tijdens de reis zijn er glimpen van het licht dat is gekomen, en als het licht het enige was dat we wilden, ja, dan zou dat genoeg zijn. Echter, aantrekkingskracht tot schuld en gehechtheid aan speciaalheid laten een sluier zakken om het licht te verduisteren, uit vrees dat het blijft om de individuele autonomie te vervangen die nog steeds wordt gekoesterd. Daarom zijn er na 70-75 nog lessen, en eindigt het Werkboek met ons te vertellen dat we pas begonnen zijn: “Deze cursus is een begin, niet een einde.” (WdII.Nw.1:1)

Theoretisch de wereld vergeven vervult niet het doel van de Cursus om de blokkades voor het bewustzijn van liefde te verwijderen (TIn.1:7). De wereld moet daadwerkelijk worden vergeven, wat betekent dat je er geen enkele oorzaak in moet zien van iets dat in de droom van afscheiding wordt ervaren. En je hebt gelijk: hierin bestaat geen rangorde. Derhalve wordt ons in de Cursus geleerd “…iedere waarde die jij eropna houdt in twijfel te trekken. Niet één kan er verborgen en in het duister gehouden worden, of deze zal jouw leerproces in gevaar brengen.” (T24.In.2:1-2; cursivering toegevoegd). De waarden en overtuigingen die het egodenksysteem ondersteunen zijn – grotendeels – onder lagen van ontkenning verborgen. Het vergt daarom tijd, lessen, beginnen, ophouden en weer beginnen, om ze naar het licht te brengen. Het proces is geleidelijk en mild omdat angst en weerstand groot zijn: “Het is voor de ongetrainde denkgeest moeilijk te geloven dat wat hij zich als beeld lijkt te vormen, er niet is. Dit idee kan bepaald verontrustend zijn en op hevige weerstand stuiten, in velerlei vorm.” (WdI.9.2:1-2). Een korte terugblik op hoe werkelijk de wereld, het lichaam en het drama van het leven lijken te zijn, laat de intensiteit van deze weerstand zien. Daarom is er nog steeds werk te doen, en moeten er vergevingslessen geleerd worden. Het Werkboek wordt ‘correct’ gedaan door het volgen van de instructies, die ons eenvoudig zeggen slechts de lessen te doen (WIn.9). Ons wordt verteld dat alleen bereidwilligheid noodzakelijk is. Zeer waarschijnlijk is dat omdat Jezus weet dat wij ze ‘slecht’ zullen doen, en hij verzekert ons dat onze onvolmaaktheid geen probleem is: “Het is Zijn [de Heilige Geest] taak door Zijn volmaakt geloof jouw onwilligheid al verzoenend goed te maken, en het is Zijn geloof dat jij daar met Hem deelt. Vanuit jouw erkenning van je onwilligheid om te worden bevrijd, wordt jou Zijn volmaakte bereidwilligheid gegeven.” (T16.VI.12:4-5). Dus brengt iedere oprechte toepassing van de principes van vergeving in onze relaties, hoe onvolkomen die ook mag zijn, ons dichter naar het beëindigen van de droom. Onze zorg bij het beoefenen van de Cursus is daarom, waakzaam zijn voor elke plekje duisternis (oordelen) en elke illusie die we verkiezen werkelijk te maken, opdat daar vraagtekens bij gezet kunnen worden en ze te licht bevonden kunnen worden. Totdat we ervan overtuigd zijn dat geen enkele ervan onze werkelijke behoefte vervult de waarheid over onszelf te aanvaarden in plaats van de leugens van het ego, hebben we de lessen van het Werkboek en de vele bladzijden van het Tekstboek nodig, waartoe we ons kunnen wenden voor leiding, instructies en troost.