Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#817 Geldt ‘zie mij aan, broeder, door jouw toedoen sterf ik’ alleen voor mensen die slachtoffers maken?

Ik heb je antwoord op V#317 gelezen, die op lichamelijke ziekte betrekking heeft, en begrijp dat Een cursus in wonderen leert dat ik het idee in twijfel moet trekken dat wat dan ook buiten mezelf mijn vrede kan verstoren, inclusief ziekte. Kun je mij misschien uitleggen waarom de Cursus de volgende zinsnede gebuikt bij het omgaan met lichamelijke ziekte: “Zie mij aan, broeder, door jou sterf ik” (T27.I.4:6) Wordt het woord ‘broeder’ figuurlijk gebruikt? Suggereert de Cursus dat we aldus een virus moeten aanpakken?

Antwoord: Hoewel je deze zin die je uit “Het beeld van kruisiging” citeert kunt lezen als verwijzend naar virussen, spreekt Jezus in de meeste passages waarin hij van onze broeders spreekt, inclusief deze alinea, over onze relaties met anderen die we als menselijke wezens waarnemen, net zoals wijzelf. En achter iedere aandoening of ziekte – eigenlijk achter al onze pijn en ons lijden, ongeacht de waargenomen directe oorzaak in de wereld – kan een aanklacht gevonden worden dat een van onze broeders of zusters op een of andere manier daaraan schuld heeft.
Soms is de beschuldiging expliciet: bijv. ‘Jij hebt me jouw verkoudheid gegeven.’ Of ‘Als je me niet zo hard had laten werken was ik niet zo gestrest en uitgeput geraakt en had ik dit griepvirus niet opgelopen.’

Soms is de beschuldiging minder direct: bijv. ‘Zowel mijn moeder als mijn grootmoeder zijn overleden aan borstkanker, dus ik vermoed dat het slechts een kwestie van tijd was voor ik zelf die diagnose zou krijgen.’ Of ‘Ik weet zeker dat mijn longkwaal het gevolg is van al dat meeroken waaraan ik al die jaren dat ik in dat kleine, volle kantoor werkte, ben blootgesteld.’ En soms kunnen de beschuldigingen heel subtiel zijn, bijvoorbeeld: ‘Ik weet dat ik gewoon niet al die kansen op vooruitgang had die mijn vrienden hadden, met mijn ouders die financieel niet zo goed af waren. En zodoende eindigde ik met minder opleiding en een lager betaalde baan. Als gevolg daarvan kon ik me niet het soort preventieve medische zorg veroorloven dat me geholpen zou hebben gezonder te blijven.’

De kern van het antwoord op V#317, waarnaar je verwijst, is dat het er, op het niveau van de inhoud in de denkgeest, niet toe doet welke vorm de dader in de wereld lijkt aan te nemen, of het nu een andere persoon is, een virus, een ongeluk, een rampzalige meteorologische of geologische gebeurtenis, of iets anders. Het doel is altijd iemand of iets buiten mezelf te vinden waarnaar ik met een vinger kan wijzen en die ik voor mijn lijden en pijn verantwoordelijk kan houden, in plaats van binnenin mijn eigen denkgeest naar de werkelijke oorzaak te kijken, namelijk mijn beslissing voor afscheiding en aanval. Met andere woorden, het doel is altijd, ongeacht de ogenschijnlijke uiting van lijden in mijn lichaam, om mijn onschuld aan te tonen door mijn broeder te beschuldigen van de zonde en aanval waarvan ik heimelijk mezelf beschuldig.

Tussen haakjes, wanneer Jezus het in “Het beeld van kruisiging” heeft over ons gebruik van onze broeder om onze onschuld te bewijzen, spreekt hij ons niet aan als mensen, noch verwijst hij naar onze broeders als de lichamen die we waarnemen. Onszelf en onze broeders als lichaam waarnemen staat centraal in het plan van het ego om ons slachtofferschap aan te tonen (zie T21.VIII.1:1-2). Jezus spreekt ons altijd aan als denkgeest, zij het een denkgeest die toevallig gelooft dat we het lichaam zijn dat we lijken te bewonen. Dat hij ook onze broeder als denkgeest beschouwt en niet als lichaam blijkt uit zijn opmerking verderop in het Tekstboek: “Net als jij denkt jouw broeder dat hij een droom is. Deel niet in zijn illusie van hemzelf, want jouw Identiteit is aangewezen op zijn werkelijkheid. Denk in plaats daarvan aan hem als aan een denkgeest waarin illusies nog wel standhouden, maar niettemin een denkgeest die een broeder voor jou is. Hij is niet tot broeder gemaakt door wat hij droomt, noch is zijn lichaam, de ‘held’ van de droom, jouw broeder. Het is zijn werkelijkheid die jouw broeder is, zoals de jouwe dat is voor hem. Jouw denkgeest en de zijne zijn in broederschap verbonden. Zijn lichaam en zijn dromen lijken slechts een smalle kloof te vormen, waar de jouwe zich met die van hem hebben verbonden.” (T28.IV.3; cursief toegevoegd). En aldus zullen we, uiteindelijk, gaan beseffen dat ziekte werkelijk een toestand van schuld in de denkgeest is – alleen zijn niet-substantiële schaduw lijkt in het lichaam tot uiting te komen (T28.II.11:7). Uit dit besef volgt dat we nooit het slachtoffer zijn van andermans acties, maar alleen van onze eigen gedachten.