Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#812 Veroorzaakt aan God geven wat we verbergen onbehagen bij de meeste mensen?

Ik heb een vraag betreffende het onderwerp ‘conflict’ dat in Een cursus in wonderen wordt beschreven. De Cursus zegt dat we naar alles wat we verbergen moeten kijken en dat aan God geven, voordat we uiteindelijke naar onze ware staat van zijn kunnen terugkeren. Is dat de reden waarom voor een heleboel mensen dingen erger lijken te worden wanneer ze het Werkboek gaan doen en het Tekstboek gaan bestuderen? De Cursus stelt ook dat de bedoeling ervan niet is om te beschrijven wat God is maar om ons te doen inzien wat ons verhindert Hem en onszelf in onze ware staat te zien.

Zou je iets kunnen aanraden over hoe je de Cursus zo kunt doen, dat wat opkomt wanneer mensen met ‘wat ze voor God verbergen’ in aanraking komen misschien gemakkelijker te hanteren is? Is er in de brieven die je krijgt een tendens dat mensen gelijksoortige ervaringen hebben wanneer ze de Cursus doen, of zijn de problemen die men beschrijft wanneer men zijn ‘duistere plekken’ tegenkomt bij iedereen anders?

Antwoord: De kwesties die je naar voren brengt benadrukken het belang van het hebben van een relatie met Jezus of met de Heilige Geest, en waarom dat door de hele Cursus heen zo benadrukt wordt. Je kunt onmogelijk door het proces van het blootleggen van je ego gaan en het dan loslaten, zonder een innerlijke bron van leiding, kracht en troost waartoe je je kunt wenden. De woorden angst en vrees komen in de Cursus veel te vaak naar voren om genegeerd te worden. In een bepaalde passage vertelt Jezus ons dat de Aanwezigheid van de Heilige Geest ons altijd vergezelt, en als we Zijn Aanwezigheid zouden aanvaarden “zou angst onmogelijk zijn”, maar omdat we doorgaan met ervoor te kiezen om van God afgescheiden te zijn blokkeert ons bewustzijn die Aanwezigheid: “Als je wist Wie er aan jouw zijde wandelt op de weg die jij gekozen hebt, zou angst onmogelijk zijn. Je weet dat niet, want de reis door de duisternis was lang en bar, en jij bent er diep ingegaan”(T18.III.3:2-3). In een ander passage spreekt Jezus over het onvermogen van het lichaam om ons eraan voorbij te leiden naar “wat onder de oppervlakte ligt”; echter, hij zegt dat we daar kunnen komen “als je bereid bent de Heilige Geest door schijnbare verschrikking heen te volgen, en erop vertrouwt dat Hij je niet in de steek laat en jou daar achterlaat. Want het is niet Zijn bedoeling – maar alleen de jouwe – om jou angst aan te jagen. Jij komt ernstig in de verleiding Hem bij de buitenste kring van de angst in de steek te laten, maar Hij wil je er veilig doorheen en ver aan voorbij leiden.” (T18.IX.3:5,7-9). Dus leren vertrouwen hebben in de aanwezigheid van een innerlijke Leraar – hetzij Jezus of de Heilige Geest – is een essentieel onderdeel van ons proces, want dan vermijden we de verleiding onszelf te veroordelen voor onze beslissing ons van Liefde af te scheiden en het dan te laten lijken alsof het de schuld van iemand anders is.

Hoewel dat niet zo hoeft te zijn, worden in het proces van het ongedaan maken van ons ego, voor vrijwel ieder van ons de zaken slechter voordat ze beter worden. Jezus zinspeelt hier verschillende keren op (zie bijvoorbeeld, T9.VII.4:5-7; T18.III.2:1). We hebben laag op laag aan verdedigingen gestapeld om onszelf te beschermen tegen de inhoud van onze denkgeest – waarvan we geloven dat die ons totaal zou overweldigen, zo niet vernietigen, als we onszelf ooit zouden toestaan die onder ogen te zien. Zelfs de eerste stap om onze verdedigingen als verdedigingen te herkennen is pijnlijk, want meer dan waarschijnlijk wisten we niet eens dat we onszelf tegen enorme innerlijke rampspoed verdedigden. Dus het begrijpen van het denksysteem van het ego en de correctie ervan door het denksysteem van de Heilige Geest zal enorm helpen als we hier doorheen gaan, want dan hebben we in elk geval een algemeen idee van wat het proces van ongedaan maken behelst – waarom we het ondernemen en waar het heen leidt.

Het is ook van belang wanneer je verder gaat om in gedachten te houden, dat we iets ongedaan maken wat nooit werkelijk gebeurd is, hoewel dat niet zo lijkt. Het Verzoeningsbeginsel is tenslotte de aanvaarding van het feit dat de afscheiding van God een illusie is. Je dit vaak herinneren zal helpen de gebruikelijke valkuil te vermijden dat je het proces te serieus neemt en te hard probeert er doorheen te komen, en daarbij vergeet dat ook tijd illusoir is.

We zijn allemaal één denkgeest, en dus delen we allemaal hetzelfde basale denksysteem van zonde, schuld en angst; maar de specifieke uiting daarvan varieert van persoon tot persoon, net zoals de uitingen van vergeving die dat denksysteem ongedaan maken. In die zin is ieders proces verschillend, wat betekent dat we op moeten passen ons niet met iemand anders te vergelijken. We kunnen op geen enkele manier weten waar wij of iemand anders op ons Verzoeningspad zitten, dus horen we geen vergelijkingen van dien aard te maken.

Ten slotte: sommige mensen vonden het behulpzaam om wanneer de zaken moeilijk gaan hun favoriete geruststellende passages dicht bij de hand te hebben – passages die hen eraan herinneren dat ze niet alleen zijn en dat “de uitkomst zo zeker is als God” (T2.III.3:10; T4.II.5:8). Je tot een aardige vriend, leraar of therapeut wenden kan eveneens een belangrijke hulpbron zijn.