Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#808 Waar past Een cursus in wonderen in relatie tot oosterse religies?

In antwoord op V#566 stelden jullie dat in Een cursus in wonderen de afscheiding wordt voorgesteld als mythologie die binnen een kader van westerse filosofie en religie zinvol is. Welk leerplan is binnen een kader van oosterse filosofie en religie beschikbaar? Met andere woorden, is er een correctie op de Koran, Thora, Bhagavad Gita, enz.?

Antwoord: Ter verduidelijking, de Thora (uit het jodendom) en de Koran (uit de islam) maken ook deel uit van de dualistische westerse religieuze traditie, met een theologie die God als Schepper van het hele fysieke universum ziet, en zonde en schuld als werkelijk. Echter, anders dan in het christendom, is in deze twee andere westerse religies Jezus hetzij geen spirituele figuur (jodendom) of niet de centrale spirituele figuur (islam). Ondanks dit verschil kunnen mensen die binnen een van deze andere westers religieuze tradities zijn grootgebracht de Cursus zeker behulpzaam vinden bij het behandelen van beperkingen die ze wellicht met hun eigen religieuze training ervaren. Als ze ook een achtergrond hebben in westerse filosofie (bijv. Plato en neoplatonisch gedachtegoed) of psychologie (bijv. psychodynamische theorie en werkwijze), dan hebben de Cursusbeginselen misschien zelfs een grotere aantrekkingskracht.

Binnen de hoogste leerstellingen van oosterse spirituele en filosofische tradities (bijv. Advaita binnen het hindoeïsme) bestaan al veel van de begrippen en principes die de Cursus als alternatief, en correctie, biedt voor de traditionele dualistische nadruk van het christendom op zonde en schuld en een straffende God. Het idee dat de wereld een droom is, is een algemeen oosters thema. De constatering dat het domein van de waarneming – met de tweedeling tussen waarnemer en waargenomene (of subject en object) – illusoir is, en de werkelijkheid Een is, is binnen de oosterse tradities ook goed vertegenwoordigd. Met andere woorden, hoewel de meest voorkomende toepassingen van deze religies door de meerderheid van hun aanhangers misschien een nadruk laten zien op vorm en ritueel, en smeekbeden en opoffering (volgens de Cursus: grondbeginselen van de universele ‘religie’ van het ego), bevatten hun geschriften voor de echte zoeker ook een dieper en diepzinniger perspectief op de aard van de werkelijkheid. En door de eeuwen heen zijn vanuit hun gemeenschappen leraren opgestaan (bijv. Shankara in het hindoeïsme) om te zorgen voor correcties die toegewijde volgers tot de diepste spirituele wortels van hun tradities hebben teruggebracht.

De wijsheid van deze tradities, net zoals die van de Cursus zelf, is tijdloos. Maar vanuit het perspectief van illusoire, op het ego gebaseerde, lineaire tijd staat de westerse wereld, in vergelijking tot de oosterse religies en filosofieën, in de kinderschoenen van haar ontwaken. En toch wordt de Cursus in een context doorgegeven die speciaal voor de behoeften van de westerse wereld geschikt is. En hij biedt ook enkele frisse nieuwe spirituele inzichten, voortbouwend op zijn specifiek westerse intellectuele traditie, die in geen van de andere spirituele leringen van de wereld zijn opgenomen – zoals een uitleg van de motivatie van de denkgeest om een wereld te verzinnen en te blijven dromen, ondanks alle lijden en pijn die daarvan het gevolg lijken te zijn.
Uiteindelijk is het goede nieuws dat we ons met het spirituele pad van niemand anders bezig hoeven te houden dan dat van onszelf, want er zijn duizenden echte paden (H1.4:1-2), zoals de Cursus uitlegt, maar wij hebben alleen dat pad nodig dat ons het beste zal dienen (T18.VII.6:5). En als de Cursus ons pad is, is het alleen zinvol ons te wijden aan het begrijpen van zijn beginselen van vergeving en die in praktijk te brengen.