Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#802 Hoe moet ik met jonge kinderen over mijn overtuigingen spreken?

Ik vroeg me af hoe ik tegen kinderen moet praten. Mijn kleindochter is 6 jaar. Onlangs zei ze tegen me “alles is mijn schuld”. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Haar ouders zijn geen studenten van Een cursus in wonderen, hoewel ik denk dat zij dat ooit zullen zijn als zij de leeftijd bereiken waarop ze hun denksysteem ter discussie stellen.

Antwoord: In het licht van het onderricht van de Cursus heeft je kleindochter gelijk en ongelijk, en spreekt zij voor ons allemaal. Haar uitspraak weerspiegelt het deel van de denkgeest dat weet dat het de macht heeft te kiezen, zich er enigszins bewust van is dat er een ‘slechte’ keuze is gemaakt, en zich daar schuldig over voelt. Dit beschrijft de universele angst in het hart van “…ieder…die onzeker, eenzaam, en in constante angst door de wereld dwaalt.” (T31.VIII.7:1). Haar verborgen schuld en zijn metgezel angst zijn de bron van haar roep om liefde, zoals dat in talloze vormen voor iedereen het geval is. Ze brengt met recht de pijnlijke gevolgen tot uitdrukking van de keuze van de denkgeest voor afscheiding en vereenzelviging met het ego: “Depressiviteit is een onvermijdelijke consequentie van afscheiding. Net als verontrusting, tobberij, een diep gevoel van hulpeloosheid, ellende, lijden en intense angst voor verlies.” (WdI.41.1:2-3) Dit mag overdreven lijken voor de frustratie van een zesjarige, maar het ligt in feite aan de wortel van niet alleen háár onbehagen, maar van elk conflict in de wereld, hoe onbetekenend of monsterlijk dat ook mag lijken.

Op een ander niveau horen we in de uitspraak van je kleindochter haar verlangen (ook door iedereen gedeeld) dat haar verteld wordt dat ze ongelijk heeft; dat er niets is om zich schuldig over te voelen omdat haar ‘zonde’ geen enkel gevolg heeft gehad. Dit is even waar voor alles waarvan zij in de droom denkt dat het haar fout is, als voor de ‘erfzonde’ van het geloof dat de afscheiding van God mogelijk is en verwezenlijkt is. Jezus’ antwoord in de Cursus geeft haar de uiteindelijke geruststelling en troost die we allemaal zoeken: “Gods Zoon zal altijd zijn zoals hij werd geschapen. […] want zijn eeuwige schuldeloosheid bevindt zich in de Denkgeest van zijn Vader, en beschermt hem tot in alle eeuwigheid.” (T13.I.5:7-8). Dus, hoewel wij en jouw kleindochter gelijk hebben wat betreft de gevoelens van schuld die volgen op de keuze voor afscheiding, hebben we ongelijk als we geloven dat de zonde van afscheiding onze eenheid met God heeft vernietigd.

Een cursus in wonderen geeft geen richtlijnen voor gedrag, omdat hij alleen over de denkgeest van het Zoonschap gaat, en zijn doel is ons de macht van de denkgeest te tonen om voor de Heilige Geest te kiezen in plaats van voor het ego. Omdat de denkgeest niet het lichaam is, is er ook geen leeftijdsonderscheid in de Cursus; dus je ‘broeder’ verwijst naar iedereen, of ze nu 6 of 66 zijn. Ons wordt daarom gevraagd zijn onderricht in elke relatie gelijkelijk toe te passen, omdat we daarin onze eigen behoefte aan genezing onderkennen. “Jij hebt ontdekt dat je genezing nodig hebt. Wil je dan iets anders naar het Zoonschap brengen, nu je inziet dat jij zelf genezing behoeft? Want hierin ligt het begin van de terugkeer tot kennis, het fundament waarop God het denksysteem dat jij met Hem deelt zal helpen wederopbouwen. […] In welk deel van de denkgeest van Gods Zoon je deze werkelijkheid ook herstelt, je herstelt die voor jouzelf. Jij woont met jouw broeder in de Denkgeest van God, omdat God Zelf niet alleen wilde zijn.” (T.11.I.1:1-3,5-6) Derhalve, in reactie op iedere roep om hulp herinneren we ons eerst onze eigen wanhopige oproep die verbonden is met de roep om liefde die door het hele Zoonschap gedeeld wordt. Als iets in het gedrag van een ander, in ons angst doet oprijzen, dan zien we onze eigen behoefte aan hulp en kunnen ons dan wenden tot de Heilige Geest in onze denkgeest, Die deze roep beantwoordt. Dat is alles wat ons gevraagd wordt te doen. Hoewel dit misschien niet erg op een antwoord lijkt, heeft het grote betekenis. Het versterkt het geloof in de macht van de gedeelde denkgeest als die de inhoud hoort in plaats van de vorm, en het erkent de aanwezigheid van de Ene Die tot ons spreekt namens God. Op deze manier naar de denkgeest terugkeren, is onderwijzen en leren wat Jezus adviseert: “Kijk met mildheid naar jouw broeder, en bedenk dat de zwakte van het ego voor jullie beider ogen wordt geopenbaard. Wat het ego gescheiden wilde houden, heeft elkaar gevonden en zich onderling verbonden, en kijkt naar het ego zonder angst. Kindlief, onschuldig aan zonde, volg blijmoedig de weg naar zekerheid.” (T21.IV.8:1-3) Door dit proces in onze denkgeest, beoefenen we in elke relatie het leerplan van de Heilige Geest wanneer angst wordt waargenomen. Als we aan deze praktijk vasthouden, zal de inhoud van wat we ook zeggen troost en geruststelling communiceren. In de rol van autoriteitsfiguur voor een jong kind, zal dan het stellen van grenzen en het bieden van leiding aangaande keuzes die op het niveau van vorm gemaakt moeten worden, geleid worden door de Heilige Geest, Die schuld niet zal versterken. Voor jouw kleindochter, voor iedereen, in welke vorm ook blijft de inhoud van Zijn boodschap: “Gods Zoon is schuldeloos en zonde bestaat niet” (H10.2:9). Dat willen we onderwijzen en leren.