Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#958 Hoe besparen wonderen tijd?

Op welke manier bespaart het bestuderen en toepassen van Een Cursus in Wonderen ons tijd? Hoeven we daardoor minder levens te leven? Houdt dit idee een geloof in of erkenning van het verschijnsel reïncarnatie door Jezus? Zegt de Cursus ook niet dat we nu samen met Jezus kunnen zijn, als we maar zouden zien (zoals in visie)? Betekent dit dat er geen korte route is naar verlichting? Geen directe toegang tot God?

En ook: wat is de ultieme definitie van wonder in de Cursus? Ik weet dat er 50 wonderprincipes zijn, en de term wonder wordt vaak gebruikt in het Tekstboek. Maar ik meen dat dit alleen hints zijn die wijzen naar de werkelijke betekenis van wonder. De Cursus lijkt niet te verwijzen naar wat wij gewoonlijk als een wonder omschrijven.

Antwoord: Jezus vertelt ons in de Cursus dat “het wonder een leerproces vervangt dat anders misschien duizenden jaren in beslag zou hebben genomen”(T1.II.6:7). Laten we daarom beginnen met onderzoeken wat hij met wonder bedoelt. Hij bedoelt een verschuiving van innerlijke leraar in onze denkgeest. Het is een keuze te luisteren naar de leiding van de Heilige Geest of van Jezus (die ons altijd zal leiden naar het uitbreiden van liefde) in plaats van naar de schrille kreten van het ego (dat ons er altijd toe zal brengen om schuld te projecteren). Merk op dat het wonder niet de uitbreiding is van liefde – de uitbreiding is een weerspiegeling van het wonder dat plaatsvond in de denkgeest, en het kan veel verschillende vormen aannemen. Het wonder, zoals door Jezus gedefinieerd in de Cursus, heeft niets te maken met lichamen, fysieke verschijnselen, of iets in de wereld. Het is enkel en alleen een verschuiving in het denken. Het is echter zo’n diepe verschuiving dat het automatisch onze denkrichting transformeert van een denkrichting die probeert de behoeften die we menen te hebben tegen elke prijs vervuld te krijgen naar een die weet dat onze enige werkelijke behoefte is om ons Gods Liefde te herinneren, een behoefte die we delen met iedereen die gelooft dat hij hier rondloopt. Als gevolg hiervan is het onmogelijk dat we, op het moment waarop we werkelijk het wonder ervaren, iets zouden kunnen zeggen, doen of denken dat niet gemotiveerd wordt door liefde. Het doel van de Cursus is ons te helpen in onze denkgeest de voorwaarden te scheppen om het wonder steeds meer te ervaren.

Een van de manieren waarop Jezus ons motiveert naar zijn boodschap te luisteren is door ons een tijdsbesparing te beloven. En het is waar dat, door te doen wat hij van ons vraagt, het lijkt alsof we tijd besparen. Door deze wereld als een klaslokaal voor vergeving te gebruiken zal geleidelijk onze dwang om pijnlijke en destructieve patronen in ons leven te herhalen, afnemen. Dus, in plaats van een heel leven door te brengen met het onbewust aantrekken van ervaringen waarin we ons slachtoffer voelen, helpt Jezus of de Heilige Geest ons (door middel van vergeving) de ontologische schuld uit onze denkgeest te verwijderen. Deze schuld dwong ons om slachtofferschap te gebruiken als een verdediging tegen Gods Liefde. Zo kunnen we daadwerkelijk onze tijd hier gebruiken om dichter bij ontwaken in ons werkelijke thuis in de Hemel te komen, in plaats van die tijd uit te zitten als een gevangenisstraf voor onbepaalde tijd.

Dit betekent echter niet dat Jezus in tijd gelooft. Hij zegt ons dat “de tijd in jouw denkgeest slechts een ondeelbaar ogenblik heeft geduurd, zonder enig effect op de eeuwigheid” (T26.V.3:3) en dat de waarheid “ver buiten de tijd ligt” (T15.II.1:9). Het is dus duidelijk dat hij in de Cursus alleen over tijd spreekt omdat hij weet dat wij erin geloven. Het is een van de symbolen in onze droom die Jezus moet gebruiken om ons te motiveren en te helpen begrijpen waar hij het over heeft.

In lijn met zijn kennis van de onwerkelijkheid van tijd zegt Jezus ons: “In uiteindelijke zin is reïncarnatie onmogelijk. Er is geen verleden of toekomst, en het idee van geboorte in een lichaam heeft geen betekenis, noch één keer, noch meerdere keren. Reïncarnatie kan dan ook in geen enkele werkelijke zin waar zijn (H24.1:1-3). Maar hij zegt ook dat “de weg naar verlossing zowel gevonden kan worden door hen die wel als door hen die niet in reïncarnatie geloven” (H24.2:5), en dat “er altijd iets goeds schuilt in elke gedachte die het idee versterkt dat leven en lichaam niet hetzelfde zijn” (H24.2:8). Er zijn passages in de Cursus waarin Jezus schijnt te impliceren dat reïncarnatie een werkelijk verschijnsel is. Maar het is alleen maar werkelijk in die zin dat het plaatsvindt binnen de droom. Jezus’ primaire boodschap is dat niets wat in de droom gebeurt werkelijk is. En dus, uiteindelijk, zijn Jezus en zijn cursus niet echt bezig met reïncarnatie of iets waar het lichaam bij betrokken is. Als reïncarnatie echter voor ons een belangrijk concept is, vindt Jezus, net als bij het concept van tijd, het prima ermee te werken. Maar dat doet hij alleen als onderdeel van zijn strategie ons te helpen voorbij alle concepten te gaan die onze werkelijkheid als de ene onveranderlijke Zoon van God verhullen.

Tot slot, wat betreft jouw vraag over nu samen zijn met Jezus, directe toegang tot God en een kortere route naar verlichting, stelt de Cursus: “Soms kan een leraar van God een korte ervaring hebben van rechtstreekse vereniging met God. In deze wereld is het bijna onmogelijk dat dit van blijvende aard is. Het kan, misschien, na veel inzet en toewijding worden verkregen en dan een groot deel van de aardse tijd in stand worden gehouden. Maar dit komt zo zelden voor dat het niet als een realistisch doel kan worden beschouwd. Als het gebeurt, laat het zo zijn. Als het niet gebeurt, laat het eveneens zo zijn. Elke wereldse toestand moet wel illusoir zijn. Als God in een aanhoudende bewustzijnstoestand rechtstreeks werd bereikt, zou het lichaam niet lang in stand kunnen worden gehouden” (H26.3:1-8). We moeten deze passage lezen in het besef dat (ondanks zijn veelvuldige gebruik van antropomorfische taal om Hem te beschrijven), de God waar de Cursus naar verwijst niet een wezen is maar een staat. Het is een “Eenheid die alle dingen verenigt in Zichzelf”(T25.I.7:2). Als we volledig zouden begrijpen wat dit betekent en een aanhoudend bewustzijn hiervan bereiken, dan zouden we hier niet lang zijn omdat we ontwaakt zouden zijn voor het feit dat we hier niet zijn. In de wetenschap dat we veilig thuis zijn in de Hemel, zouden de meesten van ons niet langer enige reden hebben om deze droom voort te zetten. Maar dat is het einde van de reis die de Cursus met ons gaat. Als zodanig is het werkelijk niet onze zorg.

Het is op dit punt veel behulpzamer onze aandacht te richten op de nadruk die de Cursus legt op het feit dat Jezus als leraar in onze denkgeest is, en dat als we ervoor kiezen nu naar hem te luisteren, wij de Liefde van God zullen ervaren, die eveneens nu in onze denkgeest is. Daarom hebben we al direct toegang tot alles wat we nodig hebben voor verlichting – het pad van de Cursus om dit te omarmen is de kortere weg.

Voor verwante besprekingen over wonderen zie V#288 en V#559. Voor meer gespreksstof over reïncarnatie zie V#24. En voor meer informatie over directe toegang tot God, zie V#101.