Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#896 Over problemen met het bereiken van een kalme denkgeest

Als ik Een cursus in wonderen bestudeer, worstel ik echt om ‘niet te worstelen’ tijdens de oefenperiodes van het Werkboek. Met andere woorden, het lijkt erop dat ik mijn denkgeest niet tot rust kan brengen. Heb je suggesties?

Antwoord: Jouw worsteling wordt in les 9 van het Werkboek behandeld: "Het is voor de ongetrainde denkgeest moeilijk te geloven dat wat hij zich als beeld lijkt te vormen, er niet is. Dit idee kan bepaald verontrustend zijn en op hevige weerstand stuiten, in velerlei vorm (WdI.9.2:1-2). Jezus zegt ons hier dat de boodschap van het Werkboek (de Cursus zelf) voor het ego verontrustend is. Het drukke gebabbel van een luidruchtige denkgeest is een van de vormen van het verzet tegen zijn boodschap. Het is de manier waarop het ego erop staat dat de gedachten en ervaringen van het lichaam werkelijk zijn en de macht hebben de Godsherinnering uit het bewustzijn te wissen. De strategie werkt, want in de mate waarin het lawaai serieus wordt genomen, heeft het de macht om de herinnering aan Gods Liefde buiten te houden. Worstelen om niet te worstelen is worstelen, wat een andere vorm van verzet is die kracht geeft aan het lawaai.

Omdat pogingen om je niet te verzetten geen succes zullen hebben, geeft Jezus ons een andere nuttige instructie in de “Regels voor beslissingen”: “...als je bemerkt dat je weerstand sterk en je toewijding zwak is, ben je er nog niet klaar voor. Vecht niet tegen jezelf”(T30.I.1:6-7). Het eerste wat je moet doen bij de toepassing van het Werkboek, is dan ook kalm blijven. Aangezien Jezus ons zegt dat we weerstand zullen hebben, moeten we niet verrast zijn door het lawaai dat de stilte binnen lijkt te dringen. Het lawaai zegt: ‘Ik ben bang om stil te zijn’. Zoals je hebt opgemerkt, stapelen angst en lawaai zich alleen maar op als je hiertegen worstelt, in een schijnbaar hopeloze strijd. Daarin wordt de drukke denkgeest als zondig beoordeeld en zo werkelijkheid verleend, om dan te dienen als blokkade voor de stilte. Het ego is dus veilig zolang jij worstelt. Bovendien versterkt het idee dat de strijd gewonnen kan worden verder de overtuiging van het ego dat het de leiding heeft over de Verzoening, en dat garandeert dan weer dat de rumoerige gedachten blijven voortbestaan. Dit inzien is het begin van het stillen van de denkgeest, omdat de bron en het doel van het rumoerige gekwebbel terecht zijn erkend.

Het is mogelijk om de denkgeest te trainen om de invasie van gedachten te observeren zonder ze te beoordelen en jezelf zachtjes te herinneren: ‘Ik ben te bang om stil te zijn’. Deze zachte, niet-oordelende herinnering ontzenuwt de strijd. Het is beter om zonder oordeel en voor een kort moment eerlijk te kijken hoe angstig en weerspannig we zijn, dan om lange tijd te worstelen om stil te zijn. Bij deze oefening is minder beslist meer. In feite vinden we op verschillende plaatsen in het Werkboek herinneringen om op te houden zodra er ook maar enig gevoel van spanning wordt ervaren (bijvoorbeeld WdI.12.6:4).

De gespleten denkgeest heeft uit-en-te-na geleerd om te vergeten, en het vraagt geduldig afleren om ons weer te kunnen herinneren. Geduld, dat een van de kenmerken is van de leraren van God (H4.VIII), is gebaseerd op zekerheid over de afloop. Als je denkgeest dus vol gedachten zit, kan het nuttig zijn om in gedachten te houden dat de stilte en de Godsherinnering ongestoord blijven door alle "speeltjes en prulletjes van de wereld" (WdII.258.1:3). De Godsherinnering zal in het bewustzijn terugkeren omdat het de denkgeest nooit verlaten heeft. Wanneer Jezus ons zegt te onthouden dat dit ons doel is, stelt hij geen vereiste tijdspanne vast. Het volstaat om je telkens voor een ogenblik in herinnering te brengen: "Al wat nodig is, is onze denkgeest erin te trainen voorbij te zien aan alle futiele, zinloze doelen en ons te herinneren dat God ons doel is. De herinnering van Hem ligt verscholen in onze denkgeest, slechts verduisterd door onze kleine nutteloze doelen die niets te bieden hebben en niet bestaan"(WdII.258.1:1-2).

Meer over dit onderwerp vind je in V#35, V#90 en V#351.