Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#836 Kan de Cursus als escapisme geïnterpreteerd worden?

Hoewel ik al lang Cursus-student ben, stel ik de volgende vraag vanuit een ‘normaal’ of ‘werelds’ perspectief – omdat ik het nuttig vind buiten de Cursus en de veronderstellingen ervan te treden. Er wordt wel eens geopperd dat de boodschap van de Cursus – dat de wereld waarin we ogenschijnlijk leven in feite niet werkelijk is – vooral aantrekkelijk is voor mensen die toevallig niet gelukkig zijn in hun relatie met de wereld. Om het extreem te stellen, om duidelijk te maken wat bedoeld wordt, zou je enige overeenkomst kunnen zien tussen zelfmoordgedachten, wat betreft de wens om te ontsnappen.

Omgekeerd kan het ook zo zijn dat mensen die een gezondere psychologische relatie met de wereld hebben minder aangetrokken zullen worden door Een cursus in wonderen, omdat de ontsnappingsmogelijkheden die erin voorgesteld worden, hen weinig interesseren. De Cursus kan zo gezien worden als een nutteloze, zelfs schadelijke bevestiging van gedachten over het vermijden van de werkelijkheid van ongelukkige mensen. Hoe zou jij op zulke kritiek ‘van buiten’ antwoorden?

Antwoord: Door te proberen om buiten, wat jij noemt, de veronderstellingen van de Cursus te stappen, zou je verward kunnen raken in foutieve veronderstellingen, waardoor je – minder behulpzaam – zou kunnen struikelen! De waarschijnlijk meest twijfelachtige veronderstelling is dat de Cursus als doel heeft aan de wereld te ontkomen, waardoor hij vooral aantrekkelijk zou zijn voor degenen die zich heel ellendig voelen en, in een extreem geval, zelfmoord overwegen. Dat is een verkeerde interpretatie van de bedoeling van de Cursus, en dat versterkt dan weer een van de favoriete verdedigingen van het ego, namelijk dat de wereld buiten ons het probleem is. Hoewel de woorden van de Cursus oppervlakkig gelezen dat af en toe lijken te suggereren, zoals in les 23 van het Werkboek: “Ik kan ontsnappen aan de wereld die ik zie door aanvalgedachten op te geven”, is het doel van de Cursus niet ons te helpen aan de wereld te ontsnappen, want het is niet de wereld die het probleem is, zoals de tekst van deze les duidelijk maakt (WdI.23.2; 4:2-3). Als iemand zich dus tot de Cursus aangetrokken voelt, en denkt en hoopt dat hij daardoor aan de wereld en al haar problemen kan ontsnappen, zal hij bitter teleurgesteld zijn. De Cursus maakt het ook duidelijk dat de dood, ongeacht de vorm die deze lijkt aan te nemen, met inbegrip van zelfmoord, geen vrede of een uitweg biedt (bijvoorbeeld: T3.VII.6:11; T27.VII.10:2; H20.5).

De Cursus onderwijst inderdaad dat de wereld niet werkelijk is (bijvoorbeeld WdII.3:1). Maar als de wereld niet werkelijk is, waarom zouden wij er dan aan moeten ontsnappen? Het geloof dat het nodig is eraan te ontsnappen versterkt alleen maar de overtuiging dat de wereld werkelijk is, dat ze een probleem is, en dat ze iets is waaraan je moet ontsnappen. Het is nauwkeuriger te zeggen dat de Cursus ons onderwijst hoe we kunnen ontsnappen aan het ego-denksysteem, dat de bron van de wereld is. Maar zelfs dat is niet helemaal juist. De Cursus onderwijst ons veeleer hoe we aan ons geloof in en verlangen naar het ego-denksysteem kunnen ontsnappen, aangezien het ego-denksysteem zelf niet werkelijker is dan de wereld en evenmin een probleem.

De Cursus behandelt een cruciale vraag: als de wereld niet werkelijk is en ons niet tot slachtoffer kan maken, waarom geloven we dan dat ze werkelijk is en dat ze ons kan kwetsen en ongelukkig kan maken? Om het antwoord van de Cursus op die vraag te aanvaarden, moeten wij een eerlijk waardeoordeel over onszelf vellen en daartoe zijn de meesten van ons vooralsnog niet bereid, en zeker niet iemand die alleen maar aan de pijn en het lijden in de wereld wil ontsnappen. Het geloof dat de wereld werkelijk is dient een heel specifiek en weloverwogen doel in het ego-denksysteem – het is het rookgordijn dat onze aandacht geworteld houdt in de ogenschijnlijke uiterlijkheden van de wereld buiten ons, zodat we nooit kijken naar de gedachten over afscheiding, zonde en schuld in onze denkgeest, die de werkelijke oorzaak van onze pijn en ons lijden zijn (bijvoorbeeld WdII.3.2,3). En dus komt het ons van pas te geloven dat zonde en schuld in de wereld buiten ons bestaat, in anderen en niet in onszelf. Daardoor komen we er nooit toe om onze eigen gedachten te onderzoeken. Zo beschermen we dus het fragiele ego en al zijn (en onze!) gekoesterde overtuigingen.

De Cursus vraagt ons dus niet om de gevolgen van het ego – het lichaam en de wereld – te ontkennen, want in deze overtuigingen vinden we nog altijd veiligheid en troost en onze persoonlijke identiteit. In plaats daarvan leert de Cursus ons hoe we ons lichaam en de wereld kunnen gebruiken voor een ander doel– dat van de Heilige Geest in plaats van dat van het ego (bijvoorbeeld WdII.3.4). Nogmaals, we hebben ons met het ego verbonden door de wereld te maken, om onszelf te bewijzen dat de afscheiding, met de gevolgen ervan – aanval, zonde en schuld – werkelijk is, zodat de wereld, en niet onze keuze voor de afscheiding, de oorzaak lijkt te zijn van al ons ongelukkig voelen. Dus leert de Heilige Geest ons hoe we ons lichaam en de wereld kunnen aanwenden om deze gedachten, begraven in onze denkgeest, aan het licht te brengen, en uiteindelijk te leren hoe we kunnen aantonen dat het ego en de wereld geen effect op ons hebben, tenzij wij dat willen. Met andere woorden: de wereld en het lichaam worden veranderd van een gevangenis in een leslokaal, waar we de liefdevolle vergevingslessen van de Heilige Geest kunnen leren.

In plaats van te suggereren dat we de wereld kunnen negeren, omdat ze niet werkelijk is, leert de Cursus ons heel zorgvuldig naar de wereld en naar onze reacties erop te kijken, zodat we in contact kunnen komen met de inhoud die in onze gespleten denkgeest begraven ligt. En als we eenmaal naar en voorbij het geloof in zonde en schuld in onze onjuist gerichte denkgeest kunnen kijken, zullen we de vrede en de herinnering van Gods Liefde vinden die in de juist gerichte denkgeest wordt weerspiegeld. Maar we kunnen dit geluk en die vreugde alleen bereiken wanneer we de inhoud van de onjuist gerichte denkgeest ongedaan laten maken. En dat betekent dat we in contact komen met onze ongelukkige gedachten, wat we doen door eerlijk te kijken naar de projecties ervan op het scherm van de wereld en al onze pijnlijke en moeilijke relaties. Dit is geen gedachteloze ontkenning of ontsnapping, en de meeste mensen ervaren in feite grote weerstand tegen dit proces, niet omdat er in de denkgeest werkelijk iets vreselijks is, maar omdat we denken dat dat er is.

Nu is het wel zo dat de Cursus aantrekkelijk kan zijn voor velen die niet erg gelukkig zijn in hun relatie met de wereld. De meeste mensen zoeken niet naar een andere weg als ze tevreden zijn met de weg die ze nu volgen. Maar de meeste mensen die zich tot de Cursus aangetrokken voelen, zijn, in het begin tenminste, op zoek naar een spiritueel pad waardoor hun ervaring in de wereld en hun relaties in de wereld beter worden, en waardoor de wereld zelf wellicht een betere plaats wordt. Met andere woorden: de meeste Cursus-studenten proberen niet aan de wereld te ontsnappen, maar eerder te zorgen dat die beter voorziet in hun behoeften aan speciaalheid. En het spreekt vanzelf dat naarmate studenten vorderingen maken in hun begrip van wat de Cursus leert, ze worstelen met het groeiend besef dat de Cursus dat soort hulp niet biedt. In plaats daarvan probeert de Cursus ons te helpen inzien hoe ongelukkig we in werkelijkheid zijn, zodat we bereid zijn om te kiezen, niet tegen de wereld, maar tegen het ego-denksysteem. Aangezien het probleem ons geloof in en ons verlangen naar het ego-denksysteem is, is het de taak van de Heilige Geest ons te helpen duidelijker te worden over wat het ego tot uitdrukking brengt en wat het ons kost, zodat we met vreugde ons verlangen ernaar en ons geloof erin laten verminderen (T14.II.1:1-5).

En of degenen die een ‘gezondere psychologische relatie met de wereld’ hebben, minder aangetrokken zijn tot de Cursus, dat is misschien waar, maar misschien ook niet. Er kan echter wel met zekerheid worden gezegd dat de Cursus niet als doel heeft ons te helpen een gezondere psychologische relatie met de wereld te ontwikkelen. Het is waar dat een van de taken bij onze ontwikkeling tot volwassen menselijke wezens, is te leren hoe we ons aan de wereld en al haar eisen kunnen aanpassen, zodat we zo goed mogelijk in al onze behoeften kunnen voorzien, op allerlei niveaus, fysiek, sociaal, emotioneel en psychologisch . En degenen die we goed aangepast en gezond vinden, zijn meestal degenen die zich de verschillende vaardigheden eigen hebben gemaakt om hun weg in de wereld te vinden en zowel het positieve als het negatieve met een zekere gelijkmatigheid aankunnen. Maar de Cursus heeft een andere definitie van gezondheid: “Gezondheid wordt gezien als de natuurlijke staat waarin alles verkeert, wanneer de interpretatie wordt overgelaten aan de Heilige Geest, die geen aanval op wat dan ook waarneemt. Gezondheid is het gevolg van het loslaten van alle pogingen om het lichaam liefdeloos te gebruiken. Gezondheid is het begin van de juiste visie op het leven onder leiding van die ene Leraar die weet wat het leven is, omdat Hij de Stem van het Leven Zelf is” (T8.VIII.9:8-10). En verder: “Jouw gezondheid is het gevolg van je verlangen jouw broeder zonder bloedbesmeurde handen of schuldbeladen hart te zien, bezwaard door het bewijs van zijn zonde” (T27.II.7:7). Weinig therapeuten of psychologische zelfhulpboeken bieden dat soort leiding en zo’n perspectief! Vanuit het gezichtspunt van de Cursus is gezondheid in werkelijkheid een afspiegeling van de heelheid of de eenheid die onze ware werkelijkheid in de Hemel is. In de gespleten denkgeest wordt gezondheid dan ook voorgesteld als het resultaat van vergeving, waar verschillen niet als belangrijk worden gezien en schuld en zonde niet werkelijk zijn, omdat we de Heilige Geest onze waarneming laten genezen.

Zij die psychologisch gezond zijn, hebben waarschijnlijk een compromis met de wereld bereikt waardoor ze met een zekere mate van voldoening kunnen functioneren, en hun persoonlijke beperkingen en die van de wereld tot op zekere hoogte kunnen accepteren. Maar er schuilt een stille vertwijfeling onder de oppervlakte, want het leven in de wereld is als een kaartenhuis, altijd op het punt om in elkaar te zakken. Aan de andere kant zijn er velen, die zich met succes een weg door de wereld hebben gebaand en die een gezonde psychologische relatie met de wereld lijken te hebben, die misschien tot het heel eerlijke inzicht komen dat ze nog altijd niet gelukkig zijn, niet echt gelukkig, en dus openstaan om een andere weg in te slaan (zie bijvoorbeeld T31.IV). Ze kunnen uiteindelijk tot het inzicht komen dat hun aantrekking tot de wereld en al haar speciale relaties hen eerder pijn dan vreugde bezorgt.

Het is interessant te vermelden dat recent psychologisch onderzoek naar voren lijkt te brengen dat degenen die een minder nauwkeurig zelfbeeld hebben minder geneigd zijn tot depressiviteit. Of anders gezegd, dat degenen die een nauwkeuriger zelfbeeld hebben, eerder geneigd zijn tot op zijn minst een milde depressiviteit. De prijs om in de wereld geluk te ervaren lijkt dus ontkenning te zijn, wat een effectief verdedigingsmiddel kan zijn, zij het slechts tijdelijk. En dat is uiteraard het geval voor alle geluk dat van onze relatie met de tijdelijke wereld afhangt. We zullen uiteindelijk moeten inzien dat de wereld ons niet gelukkig kan maken, maar niet omdat de wereld het probleem is, maar alleen omdat dat inzicht onze bereidheid zal versterken om te zoeken naar en te vragen om een andere manier om over de wereld te denken.

En dus leiden Jezus en zijn Cursus ons naar een plaats in onze denkgeest waar we kunnen genezen en waardoor we uiteindelijk in de wereld kunnen zijn, ten volle aanwezig bij alles wat er met ons en rond ons schijnt te gebeuren, zonder dat ernstig te nemen en zonder verstrikt te geraken in de manier waarop het ego hierop reageert en hierover oordeelt. Het is duidelijk dat dit in geen geval opgevat kan worden als een uitweg uit de wereld, maar veeleer laat dit de aanvaarding zien van een ander perspectief op de wereld: dat van de Heilige Geest in plaats van dat van het ego. Het pad van de asceet of de monnik of de kluizenaar die zich uit de wereld terugtrekken heeft een grotere aantrekkingskracht op iemand die een uitweg probeert te zoeken. De Cursus zal ons uiteindelijk uit het denksysteem van de wereld leiden, maar alleen omdat we ten volle aan de wereld deelnemen, zodat we kunnen inzien dat ze geen betekenis heeft (WdI.155).

Als ontsnappen aan de wereld onze motivatie blijft om de Cursus te bestuderen, saboteren we het proces waartoe het ons uitnodigt door nooit toe te laten dat de wereld het doel dient dat de Heilige Geest eraan wil geven in ruil voor dat van het ego. Want het ego wil dat we onszelf als slachtoffer zien, overgeleverd aan de genade van de wereld, maar de Heilige Geest wil dat we inzien dat het ego de wereld het onuitgesproken doel heeft gegeven voertuig te zijn voor het vervullen van onze heimelijke wens: onszelf te zien als onrechtvaardig behandeld. En de wereld dient dat doel goed zolang we onszelf als gescheiden van de wereld zien, waarbij de wereld buiten ons bestaat.

We zullen het denksysteem dat de wereld heeft gemaakt nooit achter ons laten, tenzij we eerst eerlijk naar de wereld kijken en naar onze reacties erop, en die reacties vervolgens gebruiken als een kans om gedachten over lelijkheid en schuld en zonde, die we in onze denkgeest koesteren, aan het licht brengen. Want, om het nog eens te herhalen: de wereld is niet het probleem waaraan we moeten ontsnappen – er is in feite niets waaraan we werkelijk hoeven te ontsnappen. We moeten in plaats daarvan eerlijk naar onze eigen gedachten kijken die in de wereld buiten ons weerspiegeld worden, tot we tot het inzicht komen dat ze in feite helemaal geen macht hebben en we ze kunnen loslaten, niet omdat ze ellendig, beklagenswaardig en ongelukkig zijn, maar omdat ze in waarheid niets zijn.