Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#990 Hoe meer ik me in de Cursus verdiep, hoe minder ik me in contact met God voel

Ik heb de indruk dat hoe meer ik me in Een cursus in wonderen verdiep, hoe minder ik me in contact met God voel. Mijn ego heeft mijn geest hier in een lichaam gevangen gezet en ik breng mijn leven door met kiezen tussen reacties van het hoger en het lager zelf op vermeende anderen, terwijl God zich in alle zaligheid niet bewust is van wat ik denk dat mijn bestaan is. God wordt dus hoe langer hoe meer een vormloos, theoretisch begrip voor me. Er zijn zelfs perioden waarin ik de gedachte koester dat er geen God is. Wat me gaande houdt, is dat ik niet kan inzien hoe de Cursus afkomstig zou kunnen zijn van een wezen van deze wereld. Ik kan geen betere verklaring voor de waanzin van deze wereld of dit ‘bestaan’ vinden of geen beter pad om ermee om te gaan dan de Cursus. Een deel van mij weet dat dit allemaal gewoon een hevige verdediging – en hopelijk laatste valkuil – van het ego is om me ervan te weerhouden met de Cursus door te gaan. Wat vind jij van deze paradox en hoe kan ik er het beste mee omgaan?

Antwoord: Hoewel het pijnlijk is, is je gevoel dat je minder contact hebt met God een normale en misschien zelfs beslissende fase in je werk met de Cursus. Per slot zegt de Cursus ons dat de God met wie de meesten van ons opgegroeid zijn, niet bestaat. In tegenstelling tot de God van de Bijbel, heeft de God van de Cursus “geen weet van afscheiding” [d.w.z. deze wereld] (P2.VII.1:11). Maar gelukkig houdt Jezus’ boodschap hier niet op. Zijn werkelijke doel is ons dit te helpen begrijpen: “nergens eindigt de Vader en begint de Zoon als iets afzonderlijk van Hem” (WdI.132.12:4). We blijven “een Eenheid die als Eén verbonden is…thuis in God en [die] droomt van ballingschap” (T25.I.7:1, T10.I.2:1). God is zich dus niet van ons bewust, maar niet omdat Hij onwetend of ongevoelig is. Hij heeft geen weet van ons omdat wij – als de afgescheiden wezens die we denken te zijn – niet bestaan. Dit is onze droom, niet die van Hem.

Ondanks de christelijke terminologie van de Cursus die naar God verwijst als een wezen met gedachten en gevoelens, is de onderliggende boodschap dat God geen wezen is en dat wij dat ook niet zijn. Voor onze slapende denkgeest, onder voogdij van het ego, is dit denkbeeld zowel onbegrijpelijk als heel bedreigend. Het ego handelt dus snel om deze bedreiging teniet te doen en zijn greep op ons in stand te houden. Het verdraait de boodschap van de Cursus die ons denken zou kunnen veranderen, door te zeggen: ‘Zie je wel, je dacht dat God kwaad op je was. Maar het is zelfs erger. Hij geeft helemaal niet om je!’ Deze verdediging houdt ons stevig geworteld in deze droom waarin onze mentaliteit van de-een-of-de-ander volkomen intact blijft.

Maar, zoals je in je vraag vaststelt, er is een deel van onze denkgeest dat een liefdevolle aanwezigheid in de Cursus herkent die onmogelijk zijn oorsprong kan hebben in het denksysteem van deze wereld. En een deel van ons weet dat als we iets herkennen, het binnenin ons moet zijn. We begrijpen – misschien soms maar vaag – dat er iets in ons is waarnaar we verlangen terug te keren. Maar Jezus weet dat hoewel we er wanhopig naar verlangen Gods alomvattende Liefde te voelen, we die in deze droom niet kunnen begrijpen of de betekenis ervan kunnen ontdekken. En dus doet hij geen poging om ons te leren wat God of Zijn Liefde is. In plaats daarvan richt hij zich erop ons te leren wat ze niet zijn.

Hij vraagt ons niet in God te geloven. Hij probeert ons eerder God geleidelijk te leren kennen door vergeving de plaats te laten innemen van alle schuldige illusies die Zijn Liefde buiten ons gewaarzijn houden. In de Aanvullingen Psychotherapie, doel, proces en praktijk staat misschien wel de beste samenvatting die Jezus van dit punt heeft gemaakt. In de volgende passage verwijst Jezus in het bijzonder naar psychotherapie. Maar wat hij zegt, onthult zijn gezichtspunt over de hele spirituele reis die hij ons vraagt te ondernemen: “Het zou beslist onterecht zijn als geloof in God noodzakelijk was…. Ook is geloof in God geen werkelijk betekenisvol begrip, want God kan louter gekend zijn. Geloof houdt in dat ongeloof mogelijk is, maar kennis van God heeft geen werkelijk tegendeel. God niet kennen is geen kennis bezitten, en juist hiertoe leidt alle niet-vergeven. En zonder kennis kan men slechts geloof hebben” (P2.II.4:3-7).

Gelukkig zijn tegenstrijdige gedachten over het bestaan van God, en verwarring over wat God is, geen persoonlijke tekortkomingen, noch hinderpalen voor onze vooruitgang als student van de Cursus. De beste benadering is ze gewoon gade te slaan wanneer ze – onvermijdelijk – verschijnen als we onze reis voortzetten, waarbij we iedere waarde die wij eropna houden in twijfel trekken (T24.In.2:1).

Zie vraag #625 voor een bespreking in dit verband over het wezen van God volgens Een cursus in wonderen.