Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#931 Moet ik ernaar streven om niet te oordelen, of moet ik me alleen maar bewust zijn van mijn oordelen?

Ik heb een vraag over oordelen. In het antwoord op V#642 staat: ‘De Cursus vraagt ons niet om niet te oordelen, maar liever om onze oordelen te herkennen, inclusief het oordeel over onszelf omdat we oordelen’. Ik begrijp de context waarbinnen je dit antwoord gaf. Het betekent dat we onszelf er niet van langs moeten geven of ons schuldig moeten voelen wanneer we toegeven aan oordelen, omdat juist dit het ego voedt. Maar ik heb wat opheldering nodig over het eerste deel van je antwoord. Op verschillende plaatsen lijkt Een cursus in wonderen ons specifiek te vragen niet te oordelen. In het Handboek voor leraren wordt gesteld: “Hij dient te leren alle oordelen terzijde te leggen en in iedere situatie alleen te vragen wat hij werkelijk wil” (H4.I.A.7:8). In het Handboek staat ook een stukje over zonder oordeel zijn, dat begint met de zin: “Gods leraren oordelen niet” (H4.III.1:1). Mijn vraag is dus: moet ik ernaar streven niet te oordelen, of moet ik alleen maar observeren wanneer ik oordeel? Het antwoord is waarschijnlijk proberen beide te doen. Kun je meer perspectief bieden op deze kwestie?

Antwoord: De Cursus komt tot ons in de droom van afscheiding, vanuit het deel van de denkgeest van het Zoonschap dat zich buiten de droom bevindt. Het leerplan houdt in dat wij moeten leren niet te oordelen. Deze noodzaak berust op onze beslissing ons te identificeren met het lichaam en met de wereld. Door die keuze hebben we al ‘geoordeeld’ dat afscheiding de voorkeur heeft boven eenheid. Het antwoord dat je aanhaalt is juist: we zullen niet leren niet te oordelen als we ontkennen dat we al geoordeeld hebben, en iedere dag, de hele dag door, doorgaan met oordelen over allerlei zaken. Wanneer Jezus zegt dat Gods leraren niet oordelen, verwijst hij naar het feit dat de enige activiteit van de gespleten denkgeest kiezen is, niet oordelen. Het doel van de Cursus is ons te leren dat we een denkgeest zijn die keuzes maakt, niet een lichaam dat oordeelt. In feite zegt Jezus ons dat we niet kunnen oordelen: “Jou is vaak dringend aangeraden je van elk oordeel te onthouden, niet omdat het een recht is dat jou moet worden ontzegd. Je kunt niet oordelen. Je kunt slechts de oordelen van het ego geloven, die stuk voor stuk onjuist zijn” (WdI.151.4:2-4).

Leren om ‘alle oordelen terzijde te leggen’ betekent dus: leren om in de oordelen van het ego de weerspiegeling van de keuze van de denkgeest voor afscheiding te zien, in plaats van worstelen met de oordelen, of erger: geloven dat ze waar zijn. Bovendien is de strijd aangaan met de oordelen van het ego een verloren zaak. Het ego oordeelt altijd. Belangrijk is het om bereid te zijn de oordelen en het doel dat ze dienen te herkennen, en in gedachten te houden dat ze altijd onjuist zijn. Het enige nut ervan is het blootleggen van de keuze van de denkgeest voor afscheiding, en de noodzaak van vergeving.

In plaats van vechten tegen oordelen, wordt ons gevraagd om in iedere situatie waakzaam te zijn voor het oordeel van het ego, en bereid te zijn om het terzijde te leggen, door het in twijfel te trekken en in gedachten te houden dat er een andere manier van kijken is. Als we dat doen geven we de Heilige Geest de ruimte om alles volgens Zijn waarneming opnieuw te interpreteren. Alles wordt dan een klaslokaal waarin we leren dat het oordeel van het ego niet onze enige optie is. Bovendien heeft het ego in alles ongelijk. In dit klaslokaal leert de leraar van God om, in plaats van te oordelen, te kiezen tussen het ego en de Heilige Geest. Je bewust zijn van een oordeel is de eerste stap in de goede richting. Ernaar streven om niet te oordelen veroorzaakt juist kortsluiting in het hele proces. Het ego toont zichzelf in de vorm van een oordeel. Zoals altijd neemt de leraar van God hier afstand van door het oordeel te zien als de weerspiegeling van de keuze van de denkgeest, met een kans om opnieuw te kiezen. Aldus oordeelt de leraar van God niet (H4.III.1:1), hij kiest.