Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#915 Zou vergeving me minder vatbaar kunnen maken voor het ervaren van pijn en vermoeidheid?

Ik werk in de bouw en het vergevingsproces oefenen tijdens mijn werk heeft me heel erg geholpen mijn werk grotendeels vrij te maken van pijn en frustratie. Ik kan daadwerkelijk naar het werk gaan en in plaats van te voelen dat ik de dag met agressiviteit moet ‘aanvallen’ en met mijn werk en het materiaal moet vechten, wordt het werk nu vredig en stapsgewijze gedaan, en ik ben heel dankbaar voor deze belangrijke verandering. Een ander probleem dat regelmatig door mijn activiteiten wordt veroorzaakt, is echter fysieke pijn, honger en vermoeidheid. En dus vraag ik me af in hoeverre vergeving me hierbij kan helpen. De pijn, honger en behoefte aan rust en slaap lijken normaal te zijn bij het soort werk dat ik doe, maar als alles hier alleen maar een afspiegeling is van wat zich in de denkgeest bevindt, en als alle behoeften en reacties van het lichaam op een bepaald niveau de uitdrukking van schuld zijn, dan veronderstel ik dat ik in staat zou moeten zijn er iets aan te doen. Zit ik op het verkeerde spoor?

Als ik deze fysieke symptomen zie als andere verschijningsvormen van de ontologische schuld, dan is het denkbaar dat ik zelfs nog meer vrede in mijn dagelijkse activiteiten kan toelaten, ongeacht of dat zich vertaalt in fysieke veranderingen – klopt dat? En veronderstel ik terecht dat als ‘iets’ een mentale, emotionele of fysieke reactie in mij is, dit een teken van schuld en een verzoek om vergeving is, omdat zulke reacties in de werkelijke wereld als zodanig niet meer voorkomen aangezien daar geen werkelijke ‘ik’ meer is? Als dat zo is, heb ik nog meer werk te doen terwijl ik op de bouwwerf bezig ben.

En nog een kleine zijdelingse vraag: ik heb bij mijn werk zelden contact met andere mensen aangezien ik alleen werk en in een afgelegen deel van het land woon. En dus vraag ik me af of ik het vergevingsproces wel kan voltooien, aangezien we verondersteld worden ontmoetingen met anderen te hebben en dat gebeurt nu juist niet in mijn leven. Ik zou dat wel willen, en zou onder de mensen willen zijn, maar dat is momenteel niet het geval. Vergeving kan desondanks toch volledig zijn, omdat alle denkgeesten verbonden zijn, nietwaar?

Antwoord: Waar je je ook lijkt te bevinden, daar is je klaslokaal, en wees er zeker van, daar zullen ook je lessen zijn. En zoals je al vermoedde, geeft de situatie waarin jij je in het bijzonder bevindt je toch de gelegenheid om vergeving te oefenen, ondanks de fysieke isolatie van anderen. Fysieke pijn is zeker een aanduiding dat er een ongeheelde, geprojecteerde schuldgedachte in de denkgeest achtergebleven is; je suggestie is dus terecht dat je zulke symptomen kunt gebruiken om je eraan te herinneren naar binnen te kijken. En je oefeningen hebben vanuit het perspectief van Een cursus in wonderen als doel en zijn erop gericht de schuld los te laten, en niet de lichamelijke pijn te verlichten – hoewel dat zeker een na-effect van vergeving kan zijn.

De ‘normale’ reacties van het lichaam, zoals honger en vermoeidheid, duiden gewoon aan dat jij je nog steeds met het lichaam vereenzelvigt, wat voor elk van ons het geval is tot aan het einde van ons individuele Verzoeningsproces. Evenzo moet je nog altijd geloven dat je verdediging nodig hebt tegen de schuld die in je denkgeest begraven ligt, als je je spiegelbeeld naar jou terug ziet staren en gelooft dat jij dat bent. Het kan dus nuttig zijn jezelf in herinnering te brengen dat het lichaam iets volkomen neutraals (WdII.294) wordt, wanneer we het in onze ervaring eenmaal tot werkelijkheid hebben gemaakt. En al zijn normale functies, met inbegrip van eten en slapen, zijn gewoon beperkingen die in het algemeen met die lichamelijke ervaring samen lijken te gaan.

Wat de betekenis van het lichaam bepaalt is het doel dat wij eraan geven (T26.VIII.3:7) en dat kan misschien nog een vruchtbaar aandachtspunt voor je zijn. In het bijzonder: hoe zie jij jezelf met betrekking tot anderen? Hun lichamen hoeven niet aanwezig te zijn om ‘ontmoetingen’ met je broeders en zusters te hebben in je denkgeest – waar in werkelijkheid alle ontmoetingen plaats vinden, met alle daarbij horende lessen in vergeving. Merk je dat je al die tijd dat je alleen bent, toch een deel daarvan spendeert met het denken aan anderen in je leven – familie, vrienden, kennissen – zowel uit het verleden als uit het heden? En wat is de aard van die gedachten? Komen er nog steeds wrokgevoelens, irritatie, ergernis, enzovoort bij je op met betrekking tot anderen? Zijn er in verband met bepaalde mensen gevoelens van speciale liefde? Dit zijn allemaal projecties van je eigen schuldgevoelens, en dus kansen om opnieuw naar binnen te kijken en de begraven schuld te erkennen en los te laten.

De bereidwilligheid om alles te gebruiken wat het ego je presenteert (altijd door je eigen keuze!), is alles wat Jezus van elk van ons vraagt. Elke reactie die je hebt, zoals je zelf al opmerkt, op ieder niveau, biedt een nieuwe kans om opnieuw een keuze te maken. Een passage van het Werkboek beschrijft heel duidelijk de verschuiving waar jij op zinspeelt, die alleen aan het einde van onze terugreis naar huis permanent zal worden, hoewel er vluchtige momenten en vervolgens langere tijdspannen zullen zijn, dat we dit ervaren, en wel in die ogenblikken dat we alle gedachten van oordeel en aanval opgeschort hebben:

“Nu is het lichaam genezen, want de bron van ziekte is opengesteld voor leniging. En dat je goed geoefend hebt zul je aan het volgende merken: het lichaam vertoont geen enkel gevoel. Als je het met succes hebt gedaan zal er geen gevoel meer zijn van ziek zijn of gezond zijn, van pijn of plezier. Er is in de denkgeest geen enkele reactie op wat het lichaam doet. Zijn nuttigheid is het enige wat blijft, verder niets”.

“Misschien ontgaat het je dat dit de beperkingen wegneemt die jij het lichaam had opgelegd door de doelen die je eraan hebt toegekend. Zodra deze terzijde worden gelegd, zal de kracht die het lichaam heeft, altijd voldoende zijn om alle werkelijk nuttige doelen te dienen. De gezondheid van het lichaam is volledig gewaarborgd, omdat die niet beperkt wordt door de tijd, door het weer of vermoeidheid, door voedsel en drank, of door welke wetten ook waaraan jij het vroeger dienstbaar maakte. Je hoeft nu niets te doen om het gezond te maken, want ziekte is onmogelijk geworden” (WdI.136.17-18).