Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#904 Hoe kan zo iets geweldigs als de natuur niet afkomstig zijn van God?

Zoals ik het begrijp, leert Een cursus in wonderen ons dat ons ego de wereld heeft gemaakt en dat dit alles slechts een illusie is. Ik heb de natuur en het werk van de schepping altijd beschouwd als het grootste bewijs van Gods bestaan! Als ik naar al het moois in de natuur kijk, de ingewikkeldheid, de veelheid en de omvang – van de uitgestrektheid van de ruimte tot de ongelofelijke complexiteit van het DNA – lijkt het dat alleen God zoiets kon scheppen! Hoe kan ik geloven dat de menselijke denkgeest in staat is deze grootheid te bedenken?

Antwoord: Jouw vraag bestaat feitelijk uit twee delen: hoe kan de denkgeest de wereld hebben gemaakt, en hoe kan God hem niet hebben geschapen? De Bijbel en onze westerse religies definiëren God als de schepper van de wereld. Maar Een cursus in wonderen vertelt ons dat de God van de Bijbel een product van het ego is. Hij probeert ons te helpen herinneren dat de ware God een God van eeuwige, volmaakte en onveranderlijk liefde is. De Cursus leert dat de werkelijke God niets kan hebben geschapen dat niet over dezelfde eigenschap als Hij beschikt en dus eeuwig en onveranderlijk is. (VvT4.1). Omdat alles in dit fysieke universum uiteindelijk zal vergaan (zelfs dat wat voor ons eeuwig lijkt te zijn, zoals de sterren), kan niets op het niveau van de vorm van God afkomstig zijn.

Vanuit het perspectief van de Cursus hebben kenmerken zoals ingewikkeldheid, veelheid, omvang, uitgestrektheid en zelfs fysieke schoonheid, niets met God te maken. Al wat deze kenmerken draagt, moet dus uit een andere bron gekomen zijn. Zoals je zei, leert de Cursus ons dat wij de wereld hebben bedacht (T20.VIII.7:3-5). Maar de Cursus onderwijst niet dat de wereld werd bedacht door de menselijke denkgeest. De Cursus beschouwt de menselijke of de individuele denkgeest (waarvan wij meestal denken dat hij door de hersenen gecontroleerd wordt), net als de fysieke wereld, als volledig illusoir (VvT1.4:1). Het is gewoon een onderdeel van de droom. In de droom zijn we allemaal gespleten denkgeesten, die zowel het denksysteem van het ego als dat van de Heilige Geest bevatten. Daarom kunnen we de wereld ervaren als een symbool van elk van beide denksystemen. Zo kan de schoonheid van de natuur dienen om ons te helpen herinneren aan de prachtige liefde van de Heilige Geest in onze denkgeest.

De denkgeest die de wereld heeft bedacht, bevindt zich echter buiten tijd en ruimte. Het is de éne denkgeest van de Zoon van God, die schijnbaar in slaap viel en droomde dat hij gescheiden was van zijn bron. Het gaat hier onmiskenbaar over een denkgeest waarvan niemand die denkt een lichaam te zijn, ook maar enig begrip kan beginnen te krijgen. Binnen deze droom van een fysiek, individueel menselijk bestaan is dit volkomen betekenisloos. Maar denk eens aan de dromen die je 's nachts hebt. Terwijl je ze hebt, lijken ze absoluut werkelijk. Pas als je wakker wordt kun je er op terugkijken en weet je dat ze verzonnen waren.

Dit fenomeen begrijpen houdt niet in dat de Cursus van ons vraagt dat we beginnen met de aanvaarding of het inzicht dat de wereld onze droom is. Als we dat konden, zouden we immers ontwaakt zijn en de Cursus niet nodig hebben. In plaats daarvan wordt er van ons alleen maar gevraagd om te overwegen of we ons misschien niet vergist hebben in wat de wereld is en hoe we hier zijn gekomen. Om ons te helpen de bereidwilligheid te ontwikkelen om dat te doen, legt de Cursus onze motivatie bloot om deze droom van afscheiding en de daarmee gepaard gaande pijn te kiezen.