Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#894 Een moeder die haar zoon keuzes ziet maken waarmee ze het niet eens is

Mijn jongste zoon is een tijdje geleden naar Senegal gereisd en heeft zich aangesloten bij een Moslimgemeenschap, op zoek naar zijn spirituele wortels (zijn biologische vader is een zwarte Amerikaan, ik ben een blanke Duitse). Hij en mijn man konden nooit zo goed met elkaar overweg; iets wat me veel zorgen heeft gegeven. Bovendien had hij vanwege zijn etnische afkomst een nogal moeilijke tijd hier in Zweden, waar we wonen. Hij heeft een negatieve houding ontwikkeld jegens wat hij eurocentrisme noemt. Is dit allemaal mijn eigen projectie? Ik ben bezorgd dat de gemeenschap waarbij hij zich nu heeft aangesloten, een min of meer fanatieke kant zou kunnen hebben. Aan de andere kant ben ik me er volledig van bewust dat hij zijn eigen spirituele weg moet kiezen. En zelfs Een cursus in wonderen vertelt ons dat er vele wegen zijn. Dus wie ben ik om te oordelen? Ik heb lang genoeg over hem gemoederd, maar ik vind het nog steeds moeilijk om hem volledig los te laten. Hoe kan ik hem tegemoet treden zonder bang te zijn, zonder te proberen hem ervan te overtuigen dat de weg van de Cursus misschien beter voor hem is? Hoe kan ik de Heilige Geest om hulp vragen?

Antwoord: Voor een moeder is het een erg moeilijke les om haar kind keuzes te zien maken waarmee zij het niet eens is, in het bijzonder als zij gelooft dat die keuzes haar kind in gevaar kunnen brengen. De Cursus biedt geen specifiek antwoord op de vraag wat je tegen je zoon zou moeten zeggen – als er al iets te zeggen valt – en of je op enigerlei wijze zou moeten ingrijpen. Hij vraagt wel – zoals hij iedere student van de Cursus vraagt – dat je eerlijk bent omtrent jouw reacties en oordelen in antwoord op de keuzes en acties van je zoon, want dat zijn jouw projecties. En als je eenmaal je eigen projecties hebt herkend en losgelaten, dan zal wat je ook zegt of doet (of niet) liefdevol en behulpzaam zijn.

Wat doorslaggevend is om te herkennen, is dat je wellicht een interpretatie aan het maken bent van welke vorm dan ook die je in de wereld waarneemt. Zeker, het kan simpelweg een oprechte evaluatie van de feiten zijn waardoor je concludeert dat er een potentie voor geweld schuilt in de omstandigheden waarin je zoon nu zit. Maar als je bezorgdheid, angst of enige andere vorm van onvrede ervaart wanneer je die mogelijkheid overweegt, dan moet dat wel een ego-interpretatie zijn (bijv.T4.IV.4). Want je bekijkt de situatie in termen van daadwerkelijke of potentiële daders en slachtoffers. En als dat onderscheid eenmaal in je denkgeest tot werkelijkheid is gemaakt, kun je er zeker van zijn dat er sprake is van projectie. Toegegeven, de waarneming van daders en slachtoffers is zeer moeilijk te vermijden als we ons blijven vereenzelvigen met ons afgescheiden zelf. Maar het is alleen de projectie van onze innerlijke schuld, die niet werkelijk is, wat ons geloof in stand houdt dat er buiten ons gevaar dreigt (bijv. WdI.121.2-4). Maar zo’n waarneming is noch juist noch gerechtvaardigd.

Het is duidelijk dat we vastzitten in de ego-interpretatie van een situatie wanneer we ons gaan bezighouden met het beoordelen van de relatieve waarde en verdiensten van iedere partij in het conflict, zoals het ego ons wil laten doen (bijv. T12.I.2). Want het enige probleem is het feit zelf dat we de situatie waarnemen in termen van daders en slachtoffers, waarbij we de macht ontkennen van iedere denkgeest om te kiezen wat zijn ervaring zal zijn (T28.II.5). De wereld en mensen kunnen onvriendelijk en wreed zijn, en ogenschijnlijke slachtoffers kunnen zich gerechtvaardigd voelen om terug te slaan. Maar tenzij we een stap terug doen en kijken van boven het slagveld, zal iedere waarneming die we hebben ons geloof in daders en slachtoffers alleen versterken, ongeacht hoe hard we proberen om eerlijk en redelijk te zijn.

Dus kun je aan de Heilige Geest of Jezus hulp vragen om met jou naar je angsten, zorgen en oordelen te kijken. En ze zullen je helpen herinneren dat niets is zoals het lijkt, en dat de enige reden dat je angstig bent en in tweestrijd verkeert, is dat je nog steeds wilt geloven in de werkelijkheid van de afscheiding (T2.VI.4:1-4). Want het zelf, waarvan je wilt geloven dat jij dat bent – inclusief al z’n verschillende rollen, zoals moeder – wordt daardoor in jouw waarneming en ervaring levend gehouden. Vrede kan nooit gevonden worden in enige specifieke rol, maar alleen wanneer we beginnen om al onze rollen minder serieus te nemen, en te erkennen dat we allemaal simpelweg broeders en zusters van elkaar zijn, met dezelfde Vader.