Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#863 Werd de oorspronkelijke vergissing wel voorafgegaan door een verlangen om God aan te vallen?

Mijn excuus voor deze versie op de beroemde vraag, maar ik schijn daar niet aan voorbij te kunnen gaan. Is het niet mogelijk dat de oorspronkelijke moment van afscheiding niet plaatsvond vanuit een gevoel van ontevredenheid (want komt ontevredenheid niet voort uit dualiteit en waarneming?) maar uit een speels ‘wat als’-gevoel in de denkgeest van de Zoon? Net zoals een zesjarige in mama’s auto gaat zitten die op de oprit staat en, terwijl hij net doet alsof hij autorijdt, per ongeluk de handrem ontgrendelt, waardoor de auto gaat rijden en een drukke straat op rolt. Het komt mij voor dat er, met betrekking tot de oorspronkelijke impuls, geen reden kan zijn geweest om God aan te willen vallen. Ik heb het gevoel dat het geloof dat we God hebben aangevallen - en de daarmee gepaard gaande geboorte van schuld en de ego-denkgeest - pas is ontstaan op het moment waarop we midden in het verkeer in een auto zaten die we niet konden besturen, niet wetend hoe we daar gekomen waren! Met andere woorden: dat het geloof in de aanval van God pas is ontstaan nadat we in de droom terecht kwamen door ons eigen onbedoeld misbruik van onze creativiteit. Of begrijp ik iets niet?

Antwoord: Door de eeuwen heen, en in ongeveer alle culturen, zijn er zeer veel mythologieën geweest over de oorsprong van het leven. Jouw idee over een ‘speelse gedachte over een ‘wat-als’-gevoel’ komt overeen met bepaalde aspecten van het Hindoeïsme. De mythe die in Een cursus in wonderen wordt gepresenteerd, schrijft het ultieme begin van het leven in deze fysieke kosmos echter consequent toe aan de gedachte in de denkgeest van Gods Zoon, dat deel uitmaken van Gods volmaakte Eenheid niet acceptabel was. Dit is in de Cursus op allerlei manieren onder woorden gebracht, bijvoorbeeld dat God een speciale gunst, die Zijn Zoon verlangde, niet verleende (T13.III.10:2), de vraag naar “iets wat méér is dan alles” (T29.VII.2), “een macht die almacht overstijgt, een plaats die voorbij het oneindige ligt, een tijd die de eeuwigheid te boven gaat” (T29.VIII.6:2).

De Cursus is er even duidelijk in dat dit niets anders was dan een dwaze gedachte, “een nietig dwaas idee waarom de Zoon van God vergat te lachen (T27.VIII.6:2). Zonde, schuld en angst ontstonden na het ‘nietig dwaas idee’, als gevolg van het serieus nemen daarvan. Daarom is het spirituele pad van de Cursus er uitsluitend op gericht ons te trainen in de terugkeer naar dit keuzemoment in onze denkgeest, zodat we onszelf de kans geven om opnieuw te kiezen en deze keer niet vergeten te lachen. Dit betekent dat we de Verzoening aanvaarden voor onszelf - de gedachte dat we ons in werkelijkheid nooit van God hebben afgescheiden. Hoewel de Cursus veel diepzinnige, rijke en inspirerende theologische en metafysische concepten bevat, wil Jezus niet dat we ons daar op focussen. “Theologische overwegingen als zodanig zijn per definitie controversieel, aangezien ze op geloof berusten en daarom aanvaard of verworpen kunnen worden (VvT.In.2:4). Zijn doel is ons te leren hoe en waarom we ons gewaarzijn van de Liefde die we zijn blokkeren, zodat we bewust kunnen besluiten of we wel of niet op die manier door willen gaan.