Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#862 Wat is de betekenis van ‘Verlossing’ en wat is het lichaam?

Wat is de betekenis van verlossing, zoals dit woord in Een cursus in wonderen wordt gebruikt? En wat wordt bedoeld met het lichaam?

Antwoord: De Cursus verwijst met de term verlossing naar de correctie door de Heilige Geest van de gedachte van afgescheidenheid van het ego. Vooraan in het Tekstboek beschrijft Jezus verlossing als volgt: “Verlossing is niets anders dan de ‘juiste gerichtheid-van-denken’, die niet de Eenheid-van-denken van de Heilige Geest is, maar wel verworven moet worden voordat Eenheid-van-denken kan worden hervonden” (T4.II.10:1). Wanneer de denkgeest van het Zoonschap kiest voor afscheiding raakt hij gespleten en ervaart hij een conflict tussen de gedachte van afgescheidenheid (het ego) en de herinnering van de waarheid (de Heilige Geest). Deze twee delen van de denkgeest worden ook wel de onjuist-gerichte en de juist-gerichte denkgeest genoemd. Een belangrijk doel van de Cursus is ons te leren dat we een denkgeest hebben die de macht bezit om tussen deze twee te kiezen.

Zoals de bovenstaande passage ons vertelt is verlossing gelegen in het kiezen van de juiste gerichtheid-van-denken. Wanneer we leren dat te doen wordt de denkgeest geleidelijk aan genezen van de gedachte van afscheiding, wat het uiteindelijke doel van de Cursus is. In werkelijkheid is de verlossing reeds volbracht, omdat de afscheiding nooit heeft plaatsgevonden. Niettemin ervaren we dit als een proces, omdat de denkgeest blijft kiezen om te geloven in de illusie van de afscheiding. Elke keer, wanneer we bereid zijn te kiezen voor de Heilige Geest en de juiste gerichtheid-van-denken, worden we dus ‘gered’. Wanneer niet langer voor het ego wordt gekozen is de eenheid van de denkgeest hersteld.

Jezus heeft diverse uitspraken gedaan om het lichaam te definiëren: “Het is niets. Het is het gevolg van een nietig dwaas idee van ontbinding, dat kan worden gecorrigeerd” (T19.IV.C.5:5-6). “Het lichaam is een geïsoleerd spikkeltje duisternis, een verborgen geheime kamer, een piepklein plekje zinloos mysterie, een betekenisloze omheining die angstvallig wordt beschermd, en toch, wat het verbergt is niets” (T20.VI.5:2). En nog veelzeggender: “In geen enkel ogenblik bestaat het lichaam überhaupt” (T18.VII.3:1).

Zo ervaren wij het echter niet, want tegelijk met de keuze voor de afscheiding en de noodzaak deze keuze te verdedigen, kiezen we ook voor de identificatie met het lichaam. In antwoord op het verlies van onze identiteit als denkgeest, wanneer deze ervoor kiest zich af te splitsen van zijn Bron, verklaart het ego: “Ik ben een lichaam.” Het is belangrijk om te onthouden dat de macht van de denkgeest het onmogelijke waar lijkt te maken, hoewel dat in feite niet mogelijk is. De denkgeest probeert te ontsnappen aan de schuld, die is ontstaan door zijn keuze voor afscheiding, door zijn ware Identiteit te ontkennen. Hij overtuigt zichzelf ervan dat de afscheiding werkelijk is omdat het lichaam klaarblijkelijk werkelijk is. Gemakshalve vergeet hij dat hij het lichaam zelf heeft gemaakt. Zo werkt de logica van het ego. De gespleten denkgeest is dus de bron van onze ervaring dat we een lichaam zijn, ons afvragend hoe we daarin terecht zijn gekomen. Als we verder kijken dan de fysieke verschijning is dit ook het werkelijke antwoord op de vraag wat het lichaam is. Jezus zegt in het Tekstboek: “Hoewel je één Zelf bent, ervaar jij jezelf als twee: als goed en kwaad, liefhebbend en hatend, denkgeest en lichaam. Dit gevoel in tegenpolen opgesplitst te zijn brengt gevoelens van acuut en constant conflict teweeg, en leidt tot verwoede pogingen de tegenstrijdige elementen van dit zelfbeeld met elkaar te verenigen. Je hebt veel van zulke oplossingen gezocht, en niet een ervan heeft geholpen. De tegenstellingen die jij in jezelf ziet, zullen nooit verenigbaar zijn. Slechts één ervan bestaat” (WdI.96.1:1-5, cursivering toegevoegd). De ‘één die bestaat’ is de denkgeest. Een alleen hij is de bron van alles wat het lichaam lijkt te ervaren.

Het feit dat “Ik ben niet een lichaam” (WdI.84,91,136,199,201-220) het meest wordt herhaald in de Cursus (47 keer) is een aanwijzing voor onze intense gehechtheid aan het lichaam en de noodzaak deze identiteit los te laten door ons te identificeren met de denkgeest. Dit wordt bereikt door onze bereidheid om in ons lichaam en in elke relatie met andere lichamen de weerspiegeling te zien van de keuze die de denkgeest heeft gemaakt om zich ofwel met het ego te identificeren, ofwel met de Heilige Geest. Zo wordt het lichaam, dat op zichzelf niets is, een instrument dat ofwel de boodschap van het ego communiceert, ofwel die van de Heilige Geest. (Zie: ‘Het lichaam als communicatiemiddel’ T8.VII). Door middel van pijn, genot, lijden en dood gebruikt het ego het lichaam om te bewijzen dat de afscheiding werkelijkheid is. Voor de Heilige Geest is het ’t middel om de denkgeest te genezen van de gedachte van afgescheidenheid door de praktijk van vergeving. Met andere woorden: wat het ego heeft gemaakt om ons afgescheiden te houden van onze Bron en van elkaar, kan door de Heilige Geest gebruikt worden om de afscheiding ongedaan te maken.

Bij zijn keus vóór of tegen het ego geeft de denkgeest het lichaam een doel: “Het lichaam zal ogenschijnlijk alles zijn wat als middel dient om het doel te bereiken dat jij eraan toekent. Alleen de denkgeest kan een doel vaststellen, en alleen de denkgeest kan het middel zien om dat te verwezenlijken, en het gebruik ervan rechtvaardigen. Vrede en schuld zijn beide een gesteldheid van de denkgeest die men verwerven kan” (T19.IV.B.10:7-9). Erkenning van de negatieve effecten van de keuze voor afgescheidenheid (schuld), ervaren door het lichaam, motiveert de denkgeest om in plaats daarvan te kiezen voor de Heilige Geest (vrede). Wanneer de denkgeest besluit in alles een kans te zien om een andere keuze te maken, wordt het lichaam een instrument van verlossing.