Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#860 Wat is de fundamentele dwaling van de kwantumfysica?

Mijn vraag komt voort uit twee zinnen in hoofdstuk twee van Een cursus in wonderen.

“Er zijn geen loze gedachten. Al het denken produceert vorm op een of ander niveau” (T2.VI.9:13-14). Dit lijkt overeen te stemmen met wat de kwantumfysica beweert. Ik heb Kenneth Wapnick echter ook horen zeggen: ‘Alles wat deze wereld leert is onwaar. Ook de leringen van de nieuwe kwantumnatuurkundigen. Zij komen uiteindelijk in dezelfde valkuil terecht. Want ze zeggen dat de materiële wereld een illusie is, maar dat de gedachte die eraan ten grondslag ligt werkelijk is. Wel, de gedachte die ten grondslag ligt aan de materiële wereld is de afscheidingsgedachte. Dus die gedachte is eveneens illusoir’. Kun je het bovenstaande citaat uitleggen, en hoe het verband houdt met het citaat uit de Cursus?

Antwoord: Als we de afscheiding eenmaal werkelijk hebben gemaakt in onze denkgeest, komen daar onvermijdelijk dingen uit voort, waaronder het feit dat iedere gedachte die we koesteren gevolgen heeft. De hele gefragmenteerde wereld die we zien, en de afgescheiden individuen die we denken te zijn, komen voort uit het nietige dwaze idee van afscheiding, waarvan de weloverwogen voortgang een heel specifiek doel dient. Deze zorgt ervoor dat we blijven geloven in de werkelijkheid van de afscheiding in onze denkgeest. Maar omdat het oorspronkelijke uitgangspunt niet werkelijk is, kan alles wat daaruit voortvloeit evenmin werkelijk zijn. We kunnen het dan wel allemaal als werkelijk ervaren, maar volgens de Cursus is alleen de Eenheid van de Hemel, de verenigde Denkgeest van de Vader en de Zoon, waarbinnen geen verdeeldheid of verschil bestaat, werkelijk. En aangezien de Hemel vormloosheid is (WdI.186.14; VvT6.5:8), is het duidelijk dat het bovenstaande citaat uit de Cursus verwijst naar de illusoire gespleten denkgeest – alle denken produceert vorm op een of ander niveau in de gespleten denkgeest.

De Cursus helpt ons de wetten van de denkgeest, waaraan wij denken onderhevig te zijn, te begrijpen. Maar alleen opdat we de pijnlijke gevolgen ervan gaan herkennen, en uiteindelijk kiezen tegen het uitgangspunt van afscheiding, waaruit al het andere is voortgekomen. Jezus weet dat als we het uitgangspunt van het denksysteem van afscheiding eenmaal echt begrijpen, we niet langer willen denken dat dit werkelijk is.

De kwantumfysica daarentegen, hoewel ze enkele van de werkzame principes van de gespleten denkgeest blootlegt en erkent dat de materiële wereld in werkelijkheid een projectie van gedachten is, is nog altijd verankerd in het denksysteem van afscheiding. Binnen dat beperkte en beperkende perspectief is de kwantumfysica dus niet of nauwelijks geneigd te overwegen of de gedachte die de stuwkracht levert voor de manifestatie in vorm, werkelijker is dan de illusoire projecties ervan. Omdat ze onder de indruk zijn van de wereld – door de Cursus gezien als onze vernuftige en ingewikkelde illusoire miscreatie – geloven deze theoretici, als ze metafysische speculaties ten beste geven, waarschijnlijk eerder dat ze glimpen opvangen van de denkgeest van God de Schepper, met wie we dan medescheppers zijn. Dus is het waarschijnlijk dat we, liever dan proberen te ontwaken uit de illusoire droom, zullen zoeken naar manieren van “medescheppen”, om een wereld voort te brengen waarvan we denken dat die ons meer bevalt. En het ego is nog steeds veilig en beschermd, want we hebben de aanvalsgedachte, altijd impliciet aanwezig in iedere gedachte van afscheiding, niet blootgelegd (T5.V.2:8-10; T11.V.13:4-6; T15.V.2:5-7; WdI.56.5:2).