Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#853 Wat zijn de drie zelven in ‘Allen zijn geroepen’?

Hoofdstuk 4 van ‘Allen zijn geroepen’ uit The Message of A Course in Miracles (De boodschap van Een cursus in wonderen) – deel I, geeft een uitgebreide beschrijving van onze drie zelven. Ik ben al een paar keer vastgelopen bij mijn pogingen tot de kern door te dringen. Zeg me alsjeblieft of ik het bij het rechte eind heb: zelf-A is de heilige Zoon van God die een kort moment buiten zinnen raakte en daardoor niet langer één geheel was. Als gevolg daarvan besefte zelf-A dat hij nu in het land van goed en kwaad was en voelde zich daar schuldig over. Vervolgens bedacht zelf-A dat als hij iemand anders – zelf-B – daar de schuld van gaf, hij zich niet meer schuldig zou voelen. Zelf-B werd dus het onschuldige slachtoffer van zelf-A. Zelf-C wordt het slachtoffer van het lichaam en haat iedereen. En zo gaat het verder en verder.

Antwoord: Een moedige poging, maar laten we eens kijken of we wat meer helderheid kunnen scheppen over deze kern van de ego-mythe van afscheiding en zonde, zoals de Cursus die aan het licht brengt. De beschrijving van de drie zelven in hoofdstuk 4 van The Message of A course in Miracles, Vol. I, waar jij naar verwijst, is feitelijk een uitbreiding naar het niveau van de wereld en individuele lichamen van wat in hoofdstuk 2 wordt uitgelegd als de oorspronkelijke splitsing in A, B en C op het niveau van gedachten in de denkgeest, voorafgaand aan de projectie van lichamen en de wereld. En dus moeten we daar, in de denkgeest, beginnen om enige zin te geven aan datgene waar je in hoofdstuk 4 naar verwijst.

We beginnen dus op het niveau van de denkgeest: zelf-A is niet de heilige Zoon van God, maar een illusoire gedachte van een afgescheiden zelf waarvan wij, als de slapende Zoon, denken dat wij dat van God hebben losgerukt toen we wilden dat de afscheiding van Hem werkelijkheid werd. Het is een verzinsel dat wij in onze koortsachtige ego-droom hebben gemaakt, waarmee we ons vereenzelvigd hebben en dat we ons zelf noemen. En dit afgescheiden zelf is de oorspronkelijke woning van zonde en schuld, volgens het ego-verhaal, omdat zijn leven op een zelfzuchtige manier ontstond, ten koste van God. Daardoor vernietigde het Zijn Eenheid om zichzelf tot een afgescheiden, autonoom bestaan te brengen.

Op dit punt is er in de waanzinnige denkgeest van de Zoon niets anders – geen land dat zelf-A lijkt te bezetten, geen wereld en geen ander zelf. Om nu te kunnen omgaan met de onmetelijke schuld waarvan zijn ego zegt dat die werkelijk is omdat hij God Zelf vernietigd heeft, zou de Zoon, als zelf-A, graag iemand anders willen beschuldigen om de schuld ergens anders neer te leggen. Maar er is niemand anders om te beschuldigen, er is geen ander zelf. Dus, gebruik makend van de enige dynamiek die in de gespleten denkgeest van de Zoon beschikbaar is – de afscheidingsgedachte – is de oplossing zelf-A in twee zelven te splitsen, B en C, zich met zelf-B te vereenzelvigen en alle schuld op zelf-C te schuiven. Zelf-C wordt in de waanzinnige verbeelding van de Zoon de toornige God die de Zoon, zelf-B, gaat straffen voor zijn zonde tegen Hem. Maar de zonde en schuld van zelf-C, dat nu wordt gezien als afgescheiden van zelf-B, zijn natuurlijk niets meer dan de zonde en schuld van zelf-A, dat afgesplitst is. Maar dat stelt de Zoon, die zich nu met zelf-B vereenzelvigd heeft, in staat te geloven dat de schuld zich niet langer in hem bevindt, dat hij nu ‘onschuldig’ is. Dit alles is evenzeer een waanfantasie als het oorspronkelijke maken van zelf-A.

En zo lijkt zelf-A van het toneel verdwenen te zijn, en laat alleen zelf-B en zelf-C in de denkgeest achter. Als Zoon hebben we ons nu vereenzelvigd met het ‘onschuldige’ zelf-B, dat een potentieel slachtoffer is van zelf-C, in wie alle zonde en schuld nu aanwezig is. Nogmaals, dit gebeurt allemaal op het niveau van gedachten. Om dit drama uit te spelen en onszelf ervan te overtuigen dat we werkelijk ‘onschuldige’ slachtoffers zijn, hebben we een wereld van tijd en ruimte en vooral lichamen nodig. Want lichamen zijn kwetsbaar en zwak, en tonen heel overtuigend aan dat wij niet bij machte zijn om wat ons overkomt op een betekenisvolle manier te veranderen – de criteria bij uitstek om je slachtoffer te voelen. En dus lijkt de denkgeest in miljoenen stukjes opgesplitst te zijn, maar elk fragment zet hetzelfde voort: van een schuldig zelf-A naar een onschuldig zelf-B, met alle schuld nu in zelf-C, wat het zelf is dat van zelf-A is afgesplitst en waarmee we ons niet langer vereenzelvigen. En elk fragment in de denkgeest van de Zoon lijkt dit conflict uit te spelen, dat nu vanuit de denkgeest op het scherm van de wereld wordt geprojecteerd. Elk fragment doet wanhopige pogingen zijn onschuld te bevestigen door de schuld van ieder ander aan te tonen. En je hebt een lichaam nodig om een beschuldigende vinger naar uit te kunnen steken. Alleen probeert elk fragment datzelfde schuld-spelletje te spelen. Voor onszelf zijn we elk dus een onschuldig zelf-B, maar voor ieder ander zijn we een ander zelf-C dat slachtoffers maakt. En de schuld wordt heen en weer geslingerd, maar de werkelijkheid ervan wordt nooit in twijfel getrokken.

Pas wanneer we onze vereenzelviging kunnen verschuiven van de B-C-splitsing in de wereld terug naar het schuldige maar vergeten zelf-A in de denkgeest, kunnen we beginnen te kijken naar onze eigen schuld, die niets te maken heeft met de schijnbare relatie tussen B en C in de wereld. Want B en C zijn slechts schaduwen van de schuldgedachte in de denkgeest. En wanneer we onze aandacht terugbrengen naar het illusoire zelf-A in de denkgeest, kunnen we uiteindelijk de werkelijkheid van de schuld in twijfel gaan trekken. Via dit proces waarbij we eerst inzien waar de schuld ontstaat, en vervolgens de werkelijkheid ervan in twijfel trekken – wat de Cursus met vergeving bedoelt – beginnen we ons het ware onschuldige zelf-A te herinneren dat we allemaal delen (zie hoofdstuk 5 van deel I van De boodschap). Op hetzelfde moment, terwijl we nog vereenzelvigd blijven met het lichaam in de wereld, zullen we beginnen in te zien dat zelf-B en zelf-C hetzelfde zijn, en niet verschillend. En dat ze beide gevangen zitten in een waanzinnig denksysteem, waarin ze geloven dat schuld werkelijk is en wanhopig proberen eraan te ontsnappen. Naarmate we vergeving oefenen zullen we mettertijd ons steeds meer vereenzelvigen met het onschuldige zelf-A, een weerspiegeling van ons ware Zelf als Christus, dat niets te maken heeft met A’s, B’s of C’s.

Zie vraag #176 en #630 voor een verdere bespreking van deze splitsingen in de denkgeest die in de wereld tot uitdrukking komen.