Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#727 Over de leringen van de Kabbala in relatie tot Een cursus in wonderen

Ik heb pas een inleiding tot de Kabbala gelezen. Het boek zegt dat het onmogelijk is aan het ego te ontsnappen zolang we in de vorm van een lichaam op deze aarde zijn. Dit is logisch voor mij. De Kabbala spreekt over het bereiken van een evenwicht tussen geven en ontvangen opdat harmonie bereikt wordt. Wat denk jij hierover?

Antwoord: Een cursus in wonderen neemt een heel ander standpunt in over de beide kwesties die je opwerpt, omdat hij een totaal andere kijk heeft op wie we zijn en waar de wereld en lichamen vandaan komen. De Cursus draait wat de wereld leert om en zegt dat we zullen blijven geloven dat we in deze wereld in een lichaam zijn totdat we aan onze vereenzelviging met het ego in onze denkgeest ontsnappen, omdat de ervaring van het lichaam en de wereld de verdediging van het ego is om te bewijzen dat de afscheiding – en het ego – werkelijk is (T4.I.4:4-5; T4.V.4:1-3; T6.IV.5; T7.VI.8:1-6; T23.I.3:3-5; WdI.68.1:3-4; WdI.72.2). Dat wil zeggen: de wereld en lichamen zijn het resultaat van de keuze om zich met het ego te vereenzelvigen – ze maken eenvoudigweg deel uit van de illusie van het ego om ons ervan te overtuigen dat we ons daadwerkelijk van God afgescheiden hebben en ons ware thuis in de Hemel hebben verlaten. En ze hebben hun werk zo goed gedaan dat de meesten van ons er nu van overtuigd zijn dat het lichaam het probleem is, dat het de bron is van onze gevoelens van beperking en pijn en verdriet. Met andere woorden, het ego heeft ons heel slim overgehaald om oorzaak en gevolg in onze denkgeest om te keren (T28.II.8,9). Volgens de Cursus is het lichaam neutraal en onze ervaring hangt gewoon af van het doel dat we aan het lichaam geven – ofwel om onze schuldgevoelens over de afscheiding te versterken of om die ongedaan te maken (T26.VIII.3:7-8; WdII.294).

Vanuit het perspectief van de Cursus moeten geven en ontvangen altijd ‘in evenwicht’ zijn omdat geven en ontvangen hetzelfde zijn (zie T25.IX.10:6; T26.I.3:6; WdI.108.6:1; H2.5:5). Dit weerspiegelt eenvoudig het feit dat de denkgeest één is, zodat al wat wordt gegeven, aan zichzelf wordt gegeven (WdI.126). En dus geldt dit principe zowel voor het onjuiste denken als voor het juiste denken. Als we door middel van projectie schuld aan anderen proberen te geven, versterken we die in onze eigen denkgeest en ontvangen we wat we probeerden weg te geven of kwijt te raken (T13.II.1). En als we de Heilige Geest Zijn Liefde via ons naar anderen uit laten breiden, moeten wij die vreugde en vrede eveneens ervaren. Dus als we harmonie ervaren, komt dat niet door een evenwicht teweeg te brengen tussen geven en ontvangen, maar eenvoudigweg doordat we het ego loslaten, met zijn toewijding aan zonde, conflict en pijn, en de Heilige Geest als onze Leraar aanvaarden. Hoewel het waar is dat wat we in de wereld van vorm als object, geld, tijd, enz. geven, we niet langer hebben (T5.I.1:10-14), beschouwt de Cursus deze gewoon als symbolen die het doel voorstellen dat we in onze denkgeest hebben, afhankelijk van welke leraar we hebben gekozen. Geven onder leiding van het ego zal altijd het verlangen voorstellen om onze schuld, in welke vorm dan ook, kwijt te raken terwijl geven onder leiding van de Heilige Geest altijd het verlangen weerspiegelt om liefde te delen door schuld door middel van vergeving ongedaan te maken.