Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#645 Bevat de Bijbelse zienswijze over de opstanding elementen die overeenstemmen met die van de Cursus?

Antwoord: De Cursus ziet de opstanding van Jezus als ons ontwaken uit de droom, wanneer we in onze denkgeest kiezen voor identificatie met de denkgeest van het Zoonschap, zoals God dit geschapen heeft. Jezus wist – zoals ieder van ons in het juist gerichte deel van onze denkgeest weet – dat hij Gods onschuldige Zoon is. Het verschil tussen hem en ons is dat dit alles was wat hij wist, en zich dus niet met het lichaam identificeerde. Als hij na zijn kruisiging in een lichamelijke vorm aan zijn discipelen is verschenen, zal dat niet anders zijn geweest dan zijn manifestatie in de vorm vóór de kruisiging. Met andere woorden: hij was niet een lichaam, voor noch na zijn dood en opstanding. Daarom is het onderwijs van de Cursus volkomen anders dan dat van de Bijbel. In feite sluiten de fundamentele principes van het traditionele christendom en die van Een cursus in wonderen elkaar wederzijds uit. Terwijl het geloof in de wereld, het lichaam en zonde essentieel zijn voor de Christelijke theologie, vertelt de Cursus ons dat ze niet bestaan (Zie WdI.132.6:2; WdI.167.6; T26.VII.10:5). Deze essentiële verschillen zijn de basis van de herinterpretatie van het Christelijk bijbelonderricht door Een cursus in wonderen.

Er is geen exact historisch bewijs van de gebeurtenissen in Jezus’ leven, ruim 2000 jaar geleden. Schriftgeleerden zijn het erover eens dat de evangeliën onbetrouwbare rapportages zijn. Daarom is het niet zeker dat de verhalen over de kruisiging en de opstanding waar zijn. Waar we wél zeker van kunnen zijn is de inhoud van Jezus’ boodschap in Een cursus in wonderen. Aangezien er geen zonde is, is er geen reden voor de schuld, die de hoeksteen is van het geloof in slachtofferschap in de vorm van de kruisiging. In het Tekstboek zegt Jezus: “De boodschap die de kruisiging wilde uitdragen was dat het onnodig is in vervolging enige vorm van geweld te bespeuren, omdat je niet kunt worden vervolgd” (T6.I.4:6). Wie schuldeloos is, kan niet vervolgd worden, en de Cursus leert ons dat we schuldeloos zijn, omdat de afscheiding (waar we ons schuldig over voelen) nooit heeft plaatsgevonden (H2.2:7-8). Onze opstanding is de aanvaarding van onze onschuld: “Die [de opstanding] is het symbool van bevrijding van schuld door schuldeloosheid” (T14.V.10:3). Dit wordt bedoeld met het aanvaarden van de Verzoening (T2.V.5:1).

Eenvoudig gezegd: de kruisiging van Gods Zoon vindt plaats wanneer we in onze denkgeest de keuze maken ons te identificeren met het lichaam, door te geloven dat de afscheiding van God werkelijkheid is. De opstanding is de keuze om te aanvaarden dat Gods Zoon onschuldig is, omdat de afscheiding nooit heeft plaatsgevonden. Dit is “… de minieme verandering van denken waardoor de kruisiging in opstanding verkeert” (T21.II.1:2).