Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#633 Waarom blijven we uiterlijke zelven creëren die ons lijken te straffen?

Antwoord: Je vraag geeft aan dat je begrijpt dat we de wereld, en iedereen die zich daarin bevindt, zelf creëren – of beter: miscreëren – maar niet waarom we dit blijven doen, terwijl onze ervaringen in de wereld en in onze relaties vaak negatief zijn. Het antwoord van Een cursus in wonderen op deze vraag is waarschijnlijk het belangrijkste inzicht dat hij je biedt, en dat niet gevonden kan worden in andere spirituele leringen: zijn verklaring over het doel van de wereld.

Om die verklaring te begrijpen, moeten we allereerst beseffen dat alle ‘macht’ om te miscreëren berust bij het deel van de denkgeest dat, buiten ruimte en tijd, verbonden is met het ego, niet bij het zelf dat we in de wereld denken te zijn. Want dat zelf is, samen met de wereld en alle andere ‘uiterlijke zelven’, een projectie van de egodenkgeest, gemaakt met het specifieke doel om onze werkelijkheid uit ons bewustzijn weg te houden.

We moeten dus beseffen dat de oorzaak van alles wat we ervaren alleen in de denkgeest bestaat, in tegenstelling tot wat onze ervaring ons lijkt te vertellen. De wereld is een gevolg, niet een oorzaak. En meer specifiek: alle pijn, schuld en angst, in welke vorm we die ook ervaren – fysiek, emotioneel, of psychisch – zijn een gevolg van onze keus voor afscheiding in de denkgeest: de oorzaak (T28.II.7,11-12). Als we dat verband tussen oorzaak en gevolg werkelijk zouden begrijpen, zouden we meteen tegen de afscheidingsgedachte kiezen en zouden de dagen van het ego geteld zijn. Maar de waarheid is dat we van het ego houden en van zijn schijnbare geschenken van individualiteit en speciaalheid – wat andere woorden zijn voor het idee van afscheiding – en bereid zijn vrijwel elke prijs te betalen voor het behoud van deze ‘geschenken’.

Die prijs is zelfmisleiding. Hoewel al onze pijn, schuld en angst het gevolg zijn van onze eigen keuzen in de denkgeest, willen we de oorzaak ervan buiten onszelf zien, zodat we geen verantwoordelijkheid hoeven te nemen voor deze gevoelens (T26.X.4-5; T27.I.1-4). We vermijden het nemen van die verantwoordelijkheid niet alleen omdat we dan, volgens het ego, geconfronteerd worden met onze schuld, maar vooral omdat dit ons zelfbeeld van een afzonderlijk, speciaal individu beschermt. Om die verdediging mogelijk te maken, hebben we, buiten het geloof in een afgescheiden, beperkt en zwak zelf, een wereld en andere lichamen nodig die we de schuld kunnen geven van onze gevoelens. Al onze relaties in de wereld hebben uiteindelijk ten doel onze aandacht van de denkgeest naar de uiterlijke wereld te leiden – in feite ons denkgeestloos te maken – zodat we nooit de ware oorzaak-en-gevolg-relatie zullen ontdekken. We koesteren onze individualiteit en speciaalheid, maar elke pijn, schuld of angst die daarmee verbonden is, is niet aan onszelf te wijten. Met andere woorden: we hebben anderen nodig om ons te straffen, zodat we hen verantwoordelijk kunnen stellen voor ons lijden, en nooit naarbinnen hoeven te kijken, naar de werkelijke oorzaak ervan. In feite kiezen we er dus voor om te blijven lijden en onszelf de toegang tot de enige remedie te ontzeggen. En bovendien staan we onszelf niet toe te beseffen wat we aan het doen zijn. Het goede nieuws is echter dat we, wanneer we dit wel beginnen te beseffen, de keuze kunnen maken een andere weg in te slaan. Die andere weg houdt in dat we onze ‘slachtofferervaringen’ kunnen gebruiken als een gelegenheid om in te zien dat we de kant van het ego en daarmee voor de afscheiding hebben gekozen, en vervolgens de verantwoordelijkheid voor die keuze en de gevolgen ervan hebben ontkend. De weerstand tegen deze erkenning is groot, maar als we eerlijk kijken naar wat we aan het doen zijn, zonder onszelf te veroordelen, zal onze verdediging steeds transparanter worden. Ons ongelukkig-zijn heeft niets te maken met iemand anders, maar we zijn experts geworden in het vinden van iemand die we daar verantwoordelijk voor kunnen stellen, zodat we niet verder hoeven te zoeken. Hoewel we nog steeds boos kunnen worden en van streek kunnen raken door anderen, zal het in de loop van de tijd steeds moeilijker worden deze gevoelens te rechtvaardigen zoals we dat in het verleden deden. En naarmate dit inzicht toeneemt, zal onze investering in woede en onvrede steeds meer afnemen. We gaan zien dat al die andere ‘uiterlijke zelven’ in werkelijkheid hetzelfde zijn als wijzelf, en precies hetzelfde doen als wat wij gedaan hebben, misschien niet in dezelfde vorm, maar met dezelfde inhoud: wanhopig roepen om liefde, terwijl ze deze tegelijkertijd van zich afduwen.