Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#794 Kunnen sommige vormen van sociale orde ons meer ten goede komen dan andere, ook al is de wereld van de vorm illusoir?

Je zegt dikwijls dat het denksysteem van het ego gebaseerd is op het waarnemen van afzonderlijke belangen, terwijl daar tegenover het denksysteem van de Heilige Geest gekenmerkt wordt door het samen delen van hetzelfde belang: het ongedaan maken van de afscheidingsdroom. Nu is het zeker zo dat het sociale systeem dat momenteel de wereld overheerst het credo van het ego – eten en gegeten worden – tot uitdrukking brengt en versterkt, en daarbij elk gevoel van gedeelde belangen ondermijnt, behalve wanneer deze gemobiliseerd zijn tegen de een of andere dreiging ‘van buitenaf’.

Gezien de illusoire aard van de wereld, moet daar natuurlijk uit volgen dat om het even welk sociaal systeem dat de mens bedacht heeft, eveneens illusoir is. Maar zelfs dan nog, lijkt het me dat sommige vormen van sociale organisatie bevorderlijker zijn voor het zien van gedeelde belangen – en dat omgekeerd, het huidige wereldsysteem bijzonder geschikt is voor het bevorderen van de angst, kwetsbaarheid en agressie waarop het ego gedijt. Of heeft dit alles uiteindelijk eigenlijk geen belang?

Antwoord: Het is uiteindelijk niet echt van belang. Maar dat is niet simpelweg omdat de wereld en alle sociale systemen illusoir zijn. Want zolang we geloven dat de wereld werkelijk is, hangt de waarde van alles in de wereld alleen af van het doel dat eraan is gegeven. Al wat gebruikt wordt om te oordelen en aan te vallen is zonder waarde, want het wordt gebruikt om een betekenisloos denksysteem te versterken. Al wat gebruikt wordt om te vergeven en te verbinden, heeft de enige werkelijk waarde in de wereld.

Elk van ons heeft altijd de keuze om ofwel afzonderlijke of gedeelde belangen te zien, ongeacht wat er in de wereld rondom ons lijkt te gebeuren. En hoezeer het ego misschien ook wil geloven dat de vorm de inhoud van de denkgeest beïnvloedt – wat achter je vraag schuilgaat – is de wereld van de vorm nooit iets anders dan een afspiegeling van de collectieve inhoud van de gespleten denkgeest van de Zoon. Elke omslag moet eerst in de denkgeest plaatsvinden, of we ons nu bewust zijn van die keuze of niet, en pas dan kan ze in de wereld van de vorm weerspiegeld worden. Het doel van Een cursus in wonderen is helpen om die keuze bewust te maken. Daarom zegt Jezus ons in de Cursus: “Probeer dan ook niet de wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen” (T21.In.1:7).

Het loont in feite de moeite de hele alinea waarin deze raad staat hier aan te halen: “De wereld die jij ziet is wat jij haar gegeven hebt, niets meer. Maar ook al is ze niets meer, ze is ook niets minder. Daarom is ze voor jou belangrijk. Ze getuigt van de staat van jouw denkgeest, de uiterlijke weergave van een innerlijke toestand. Zoals een mens denkt, zo neemt hij waar. Probeer dan ook niet de wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen. Waarneming is een gevolg, geen oorzaak. En juist om die reden is een rangorde naar moeilijkheid bij wonderen zonder betekenis. Alles wat met visie wordt bezien, is genezen en heilig. Niets wat zonder dat wordt gezien, heeft enige betekenis. En waar geen betekenis is, heerst chaos (T21.In.1; onze cursivering).

Met andere woorden, de enige betekenisvolle vraag is welke leraar we hebben gekozen om onze waarneming te leiden. Als we de verkeerde leraar kiezen, kunnen we rondom ons alleen maar de een of andere vorm van speciaalheid zien – speciale liefde of speciale haat. Maar als we de juiste Leraar kiezen, zullen we geleid worden om alles rond ons te zien als een uitbreiding van liefde of een roep om liefde, waarvan we allemaal geloven dat we haar verworpen hebben (T12.I.3:1-4). Er zijn geen andere alternatieven, en dat maakt de Cursus zo eenvoudig. Wanneer we eenmaal geïnteresseerd raken in vorm in de wereld, zitten we gevangen in het ego-web van complexiteit, en de mogelijkheid tot genezen en loslaten zal ontmoedigend of zelfs hopeloos lijken.

Het is zelfs mogelijk dat wanneer de vormen van de wereld, zoals specifieke sociale systemen dát lijken aan te moedigen, waarvan wij denken dat het gedeelde belangen zijn, ze in feite misschien de zeer misleidende speciale liefde-relatie versterken die het ego naar voren brengt als “het geschenk waarop het zich het meest beroemt” (T16.V.3:1). Want ze kunnen een simpele dekmantel zijn voor de lelijkheid van het ego-denksysteem, en het deksel op de schuld houden, maar er niets aan doen om die in de denkgeest ongedaan te maken. Het punt is, dat we nooit kunnen beoordelen wat het meest behulpzaam is als al het vertrouwen op de vorm is gebaseerd.

Om een voorbeeld te geven: heeft de beleefdheid en beschaafdheid van ongeveer de eerste helft van de 20ste eeuw, tenminste in de Verenigde Staten, waar zoveel mensen met zoveel heimwee over spreken, het Zoonschap werkelijk dichter bij het ontwaken uit de droom gebracht, dan de onbeschaafdheid en openlijke aanvallen waarvan de wereld van vandaag doordrongen lijkt? We kunnen onze mening wel hebben over wat van meer nut is, vanuit het perspectief van onszelf als lichamen in de wereld die zich ons veilig en geborgen willen voelen, maar we zijn gewoon niet in een positie om te oordelen. Misschien wel, maar even waarschijnlijk, misschien niet.

Jammer genoeg lijkt het erop dat angst en pijn ons het beste motiveren tot vragen om een andere manier. En het ego voedt met graagte het gevoel van voldaanheid dat iemand heeft omdat zijn leven gladjes en prettig verloopt en iedereen elkaar ‘helpt’. Het punt is niet dat we waarde moeten hechten aan pijn en aanval, maar dat we in iedere situatie en elke omstandigheid waakzaam moeten zijn voor de keuze die we altijd hebben tussen het ego en de Heilige Geest. En die keuze wordt alleen maar duidelijker naarmate we ons steeds meer bewust worden van ons ego in al zijn al dan niet zo subtiele uitingen.