Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#741 Is het in overeenstemming met het onderricht van de Cursus om tegen abortus gekant te zijn?

Ik keek onlangs naar een video ‘De stille schreeuw’, een documentaire die wil aantonen dat abortus het doden van een levend wezen is. Terwijl ik keek, gingen er allerlei gevoelens en gedachten door me heen: ik wilde geld inzamelen zodat mensen niet het gevoel krijgen dat hen alle hoop ontnomen is; ik wilde dat anderen dit zagen, zodat we abortus tenminste recht in de ogen kunnen zien. Ik begon ook te bedenken wat we zouden doen als een foetus terug begon te vechten. Dan zei een ander deel van mij: wat maakt het uit als we uiteindelijk toch allemaal sterven? Is abortus dan geen moord? Is het in orde en in lijn met de boodschap van Een cursus in wonderen als ik wil dat abortus tot een minimum beperkt wordt?

Antwoord: De Cursus vereenvoudigt de vele morele dilemma’s die we hier in de afscheidingsdroom tegenkomen, door alles wat we over alles geloven, met inbegrip van en in het bijzonder ‘leven’ en ‘dood’ een nieuwe interpretatie te geven. Er wordt ons gezegd: “Er is geen leven buiten de Hemel. Waar God leven heeft geschapen, daar moet leven zijn. In elke toestand die losstaat van de Hemel is leven een illusie. Op zijn best lijkt het op leven, op zijn slechtst op de dood” (T23.II.19:1-3, onze cursivering). Het lichaam (dood of levend) is een illusie, net als de wereld. De denkgeest die het leven met God deelt, verblijft niet in het lichaam, en bevindt zich buiten tijd en ruimte. Wat er dan ook met het lichaam gebeurt, het heeft geen effect op de denkgeest, wat betekent dat het helemaal geen effect heeft. Illusie kan geen enkel effect op de werkelijkheid hebben. Dit belangrijke onderricht van de Cursus maakt duidelijk dat noch abortus, noch iets anders in de droom moreel gezien juist of verkeerd is. Het is niets, omdat het lichaam niets is: “Het lichaam sterft evenmin als het kan voelen. Het doet niets. Van zichzelf is het noch vergankelijk, noch onvergankelijk. Het is niets” (T19.IV.C.5:2-5). Het stemt niet overeen met het onderricht van de Cursus om de principes ervan te gebruiken om bepaald gedrag in de wereld (vorm) te steunen of te verwerpen. De Cursus richt zich tot de denkgeest, en zijn onderricht is van toepassing op de gedachten in de denkgeest (inhoud), niet op het lichaam. De enige werkelijke moorddadige handeling die de Zoon van God pleegt is kiezen voor de overtuiging dat afscheiding van God mogelijk is. Wanneer die keuze eenmaal is gemaakt, is vereenzelviging met het denksysteem van het ego van zonde, schuld en angst het gevolg. Met of zonder abortus gaat alles vanaf dan bergafwaarts.

Als de gedachte aan stervende foetussen beangstigend is, en je voel je bewogen om ze te beschermen, is dat niet verkeerd. Het verschilt niet van het nemen van maatregelen tegen kwalen en ziektes, of van het beschermen van het milieu. Aangezien we geloven dat we een lichaam zijn dat in de wereld leeft, en we onszelf heel serieus nemen, is het belangrijk om naar alle oordelen te kijken in verband met bepaald gedrag, zoals abortus, oorlog en andere daden van geweld en agressie. Ze tonen ons welke overtuigingen wij in onze denkgeest vasthouden, over onszelf en over anderen, en ze zijn de specifieke vormen die we hebben gekozen om de keuze van de denkgeest voor afscheiding te weerspiegelen. De vorm wordt dus het klaslokaal voor de vergevingslessen waardoor de afscheidingsgedachte ongedaan wordt gemaakt.

Een situatie zoals abortus biedt vele mogelijkheden om de schuld van het ego te bekrachtigen, of de vereenzelviging van de denkgeest met de Heilige Geest te versterken. Belangrijk is de keuze, die in de denkgeest wordt gemaakt, om je met het ego of met de Heilige Geest te vereenzelvigen, niet het specifieke gedrag. Iemand kan een liefdevolle en vreedzame keuze maken, samen met de Heilige Geest, om een abortus te ondergaan, net zoals het mogelijk is voor het ego te kiezen en zich tegen abortus op te stellen, vol oordeel, veroordeling en ‘moorddadige’ gedachten tegen degenen die abortus ondergaan of ze uitvoeren. Het specifieke gedrag kan variëren, dat doet er niet toe. Wat er wel toe doet is een keuze maken die de schuld vermindert, en de vereenzelviging met de Heilige Geest versterkt. Een vreedzame beslissing kan alleen worden genomen wanneer angst, schuld en oordeel in de denkgeest is herkend en voor zover mogelijk is losgelaten. Het helpt om een belangrijke boodschap in gedachten te houden die Jezus ons in het Tekstboek geeft: “Van niets wat je waarneemt ken jij de betekenis. Niet één gedachte die je eropna houdt is volkomen waar. Door dit te erkennen maak je een doortastend begin (T11.VIII.3:1-3).

De Heilige Geest echt om hulp vragen betekent dat je niet van te voren beslist wat het antwoord moet zijn, en dat betekent dat je elk oordeel en elke waarde waar je aan vasthoudt loslaat. Als je die niet los kunt laten, kun je ze op z’n minst in twijfel trekken en aan jezelf en de Heilige Geest toegeven dat je denkt te weten wat het beste is, niet alleen voor jezelf, maar ook voor ieder ander. Jezus herhaalt in vele passages in de Cursus dat we dat niet weten. Een van onze grootste fouten is te geloven dat het leven in een lichaam van de hoogste waarde is, en een van onze grootste angsten is dat we daar ongelijk in hebben. Aangezien we ons aan die overtuiging en aan onze angst vastklampen, doen we er goed aan om zachtjes voort te gaan door het proces waarbij we leren beslissingen te nemen met de Heilige Geest in plaats van met het ego. Het helpt niet om te ontkennen hoezeer we waarde hechten aan onze identiteit als lichaam. Zolang we doen wat we voelen dat we moeten doen om onze versie van het leven te beschermen, kunnen we de eerste werkboeklessen in gedachten houden: “Ik zie niet wat mijn hoogste belang is [of dat van iemand anders]” (WdI.24) want “ik weet van niets waartoe het dient” (WdI.25). Bereidwilligheid om deze ideeën in gedachten te houden is een uitnodiging aan de Heilige Geest om aan je zijde te staan bij wat je ook doet in verband met abortus of iets anders. Dat opent ook de weg naar het deel van de denkgeest waar de herinnering aan het ware leven, dat van ons en van ieder ander, verblijft.