Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#723 Zijn we al ‘gered’?

Klopt het dat we vanuit het gezichtspunt van Een cursus in wonderen al ‘gered’ zijn en dat altijd al waren; en is dat niet de humoristische kant van het hele boek, dat we zo veel vragen stellen en worstelen en worstelen, terwijl het al allemaal voor ons gedaan is? Als iemand van buiten ons gadeslaat, zou dat geen goed materiaal voor een komedie zijn? Zijn liefde en humor niet nauw met elkaar verbonden? Hoe kunnen wie die liefde in deze wereld tot uiting brengen zonder erdoor geabsorbeerd te worden? Door onszelf te laten absorberen?

Antwoord: Zoals Jezus ons in het Tekstboek zegt: “Het is ridicuul te denken dat de tijd de eeuwigheid kan omringen,” […] (T.27.VIII.6:5) Dit betekent, gezien vanuit het gezichtspunt van de Heilige Geest, dat we onszelf, zoals je aangeeft, in een humoristische situatie bevinden. Uiteindelijk, vlak voordat God naar beneden reikt om ons naar Zichzelf op te tillen, zullen we om de dwaasheid van de hele droom lachen. Intussen kan in de droom die lach ervaren worden in het heilig ogenblik en in de werkelijke wereld (T19.III.10; T27.VII.14; WdI.153.14; T15.V.11). Voor iemand die weet dat de afscheiding van God onmogelijk is, is het geloof in afscheiding belachelijk en misschien komisch. Voor iemand die gelooft dat afscheiding werkelijk is, schijnen haar gevolgen eveneens werkelijk, en worden als rampzalig en pijnlijk ervaren (T27.VIII.8:4-7). Je hebt gelijk als je zegt dat we gered zijn en ‒ in werkelijkheid ‒ nooit ons thuis in God hebben verlaten. We zouden zeker niet hoeven te worstelen en ons niets hoeven af te vragen als we deze waarheid als waar zouden aanvaarden. Het probleem is dat we denken dat we hier zijn en dat we niet de waarheid over onszelf geloven. Zoals Jezus ons in het Tekstboek laat weten: “Dit is een heel eenvoudige cursus. Misschien heb je niet het gevoel dat jij een cursus nodig hebt die uiteindelijk onderwijst dat alleen de werkelijkheid waar is. Maar geloof jij dat ook? Wanneer je de werkelijke wereld waarneemt, zul je inzien dat jij het niet geloofde.” (T11.VIII.1:1-4 cursivering door ons toegevoegd) Dit betekent dat, totdat we de werkelijke wereld bereiken, we niet geloven dat de werkelijkheid waar is. We hebben ervoor gekozen in plaats daarvan de afscheidingsleugen van het ego te geloven, waardoor we onszelf en de droom van afscheiding serieus nemen, en niet de lach lachen waarvan de Cursus spreekt, noch lachen “…om pijn en verlies, om ziekte en verdriet, om armoe, honger en de dood.” (WdI.187.6:4). Onze weerstand om te leren wat waar is, is de bron van onze worsteling met het onderricht van de Cursus, en van ons onvermogen om vredig te glimlachten om alles in ons leven en in onze wereld.

Weerstand wordt ongedaan gemaakt door het proces van vergeving, waarbij we naar alle oordelen kijken die voortkomen uit de keuze ons met het ego te vereenzelvigen, met een beetje bereidwilligheid die oordelen aan de Heilige Geest aan te bieden om getransformeerd te worden. Het proces begint met de erkenning dat onze interpretatie van elke ervaring een projectie is van schuld voor onze keuze te geloven dat de afscheiding werkelijk is. Naarmate vergeving een manier van leven wordt, verminderen schuld en angst voor straf, en de liefde die er altijd is gloort langzaam in onze denkgeest. Dit gebeurt niet abrupt. Langzaam vermindert de angst en glimpen van de weerspiegeling van de liefde nemen zijn plaats in. Geleidelijk wordt het gemakkelijker en aantrekkelijke om ons met de liefde te vereenzelvigen. Wanneer we ons met liefde vereenzelvigen, worden we erin ‘geabsorbeerd’, in die zin dat het het enige is waarvoor we kiezen. In het Tekstboek zegt Jezus ons: “Wanneer je louter liefde wilt, zul je niets anders zien” (T12.VII.8:1). Liefde breidt zich dan op natuurlijke wijze uit, zonder inmenging van het ego. Tot dat moment zorgen de vele andere dingen die we denken te willen ervoor dat we aan de schuld en de angst van het ego vasthouden, hetgeen de liefde blokkeert in ons bewustzijn. Heel in het begin van het Tekstboek vertelt Jezus dat wij hetzelfde zijn als hij, maar dat wij andere belangen ons bewustzijn laten verduisteren: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb.” (T1.II.3:10-12) Ons doel is de hulp van de Heilige Geest te zoeken om via vergeving “…de blokkades weg te nemen voor het bewustzijn van de aanwezigheid van Liefde…” (TIn.1:7). We zullen dan werkelijk de humor in de droom zien, zachtjes om onze dwaasheid lachen, en ‘geabsorbeerd’ worden in liefde.