Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#707: Ik ben nog steeds bang dat God me zal straffen en me naar de hel zal sturen. Ben ik gek aan het worden?

Mijn rechtse vader, een wedergeboren Christen, heeft me in mijn kinderjaren strenge beperkingen opgelegd, waardoor ik verbitterd en wrokkig ben geworden over de Christelijke God. Ik sta open voor God zoals de Tao, Een cursus in wonderen of Eckart Tolle voorstaan. Ik vrees echter dat ik, als straf van God, in de hel zal branden als ik niet de Christelijke God aanvaard en naar de kerk ga. Omdat de Cursus leert dat afscheiding van God de oorzaak van al mijn ongelukkige gevoelens is, ben ik ook bang dat ik God moet aanvaarden zoals de Cursus leert, en een Christen moet worden. Ook word ik boos op Christenen zoals Bush en Blair omdat hun ideeën armoede veroorzaken, tienerzwangerschappen, enzovoort, die zij aan Satan toeschrijven. Ik vind dit heel verwarrend, word ik gek?

Antwoord: Je wordt waarschijnlijk niet gek. Het gebruik dat het ego maakt van religie, geloof in zonde, en een straffende God – die mensen naar de hel stuurt om te branden – dát is krankzinnig. Een cursus in wonderen is de juiste plaats om te zoeken naar correctie voor de zonde, schuld en angst die in het fundamentalistische christendom onderwezen worden. De grondslag van het christendom is het geloof in zonde, waarvoor alleen kan worden verzoend door de kruisiging en de dood van Jezus. Verlossing betekent dan het aanvaarden van Jezus en de Bijbel, zoals onderwezen wordt door de georganiseerde religie. Bijbels onderricht is gebaseerd op het geloof dat de wereld en het lichaam niet alleen werkelijk zijn, maar door God werden gemaakt. Dit onderricht maakt dat het christendom en Een cursus in wonderen elkaar uitsluiten. De Cursus leert: “Gods Wil voor jou is volmaakt geluk omdat er geen zonde is en lijden geen oorzaak heeft.” (WdI.101.6:1, cursief toegevoegd), “Er is geen hel”(T15.I.7:1), “Er is geen wereld!” (WdI.132.6:2), “Die uitweg [uit angst] wordt verschaft door jouw aanvaarding van de Verzoening, wat je doet inzien dat je vergissingen in werkelijkheid nooit hebben plaatsgevonden.” (T2.I.4:4), “Verlossing is de erkenning dat de waarheid waar is, en dat niets anders waar is.” (WdI.152.3:1) Het is duidelijk dat dit onderricht alle angst voor branden in de hel tot rust brengt. Ze omvatten de waarheid waarvan ons gevraagd wordt die te erkennen, opdat verlossing wordt gerealiseerd. Derhalve wordt verlossing niet door het lijden van de kruisiging verkregen, maar door de eenvoudige aanvaarding van onze onschuld en onze eenheid met God, die door het egodenksysteem van afscheiding nooit werd aangetast.

Hoewel de boodschap van de Cursus eenvoudig is, is het voor ons niet gemakkelijk deze te aanvaarden, omdat onze gehechtheid aan het geloof in zonde en schuld sterk is, evenals ons geloof dat we een lichaam zijn dat in de wereld woont. We laten dit geloof niet gemakkelijk los. In feite bieden we stevig weerstand. Door de ‘sensatie’ van speciaalheid gelokt, hebben we ervoor gekozen de afscheidingsleugen van het ego te geloven. Alleen deze keuze houdt ons af van het gewaarzijn van onze eenheid met God. En het is deze keuze die we in onze relaties weerspiegeld zien. Daarom is de beoefening van vergeving in onze relaties het middel dat de Cursus ons leert voor het ongedaan maken van het geloof in afscheiding. Ons wordt gevraagd onze oordelen en aanvalsgedachten te zien als uitingen van onze wens afgescheiden, verschillend, speciaal, en vooral beter dan anderen te zijn. Schuld voor het in eerste instantie kiezen van afscheiding wordt door onze aanvallen op anderen versterkt, en dan in nog meer oordeel/aanval weer naar buiten geprojecteerd, in een schijnbaar eindeloze cyclus. Dit is de bron van alle pijn en ellende in ons leven. De denkgeest genezen van de gedachte van afscheiding begint wanneer we de hulp van de Heilige Geest zoeken bij het loslaten van deze oordelen. [Dit is ook van toepassing op oordelen over de regeringsleiders (zie V#578).]

Door vergeving worden schuld en angst verminderd, om uiteindelijk te verdwijnen, en aldus het licht van onze onschuld de schaduw van schuld die onze denkgeest verduistert te laten vervangen. Alleen dit wordt vereist. In dit proces worden de momenten van vrede die we ervaren de motivatie om op ons pad van vergeving door te gaan, niet de vrees voor straf in de hel. Jezus zegt ons: “Deze cursus vergt nagenoeg niets van jou. Het is onmogelijk je een cursus voor te stellen die zo weinig vraagt, of die meer te bieden heeft.” (T20.VII.1:7-8) In het licht van de regels, voorschriften en verboden van veel religieuze paden is dit inderdaad bemoedigend.