Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#797 Weet het ware Zelf van de droom?

Antwoord: Het ware Zelf, Gods Zoon, kent alleen de Liefde van de Vader en kent geen identiteit los van Hem. In die eenheid met God is Hij Zich niet van de droom bewust, net zoals God Zich daarvan niet bewust is. In het Werkboek beschrijft Jezus het ware Zelf in termen die duidelijk maken dat Het van de droom van afscheiding geen weet heeft: “Alleen dit Zelf kent Liefde. Alleen dit Zelf is volmaakt consistent in Zijn Gedachten, kent Zijn Schepper, begrijpt Zichzelf, is volmaakt in Zijn kennis en in Zijn Liefde, en wijkt nooit af van Zijn onveranderlijke staat van eenheid met Zijn Vader en Zichzelf” (WhV.In.4:4-5). Dus, één met Zijn Bron, heel, en zeker van Zijn Identiteit, kan het ware Zelf geen vragen stellen zoals ‘Wie ben ik?’ of ‘Droom ik?’ Het kent Zijn Identiteit en is wakker in die kennis, niet in slaap, dromend van een vals, afgescheiden zelf. De dromer van de droom (de denkgeest) bevat de herinnering van het Zelf, in plaats van dat het Zelf weet heeft van de droom.

De kwestie van de droom ontstaat pas wanneer de denkgeest er al voor heeft gekozen te geloven dat de droom van afscheiding inderdaad heeft plaatsgevonden. Met die keuze kiest de denkgeest actief tegen het Zelf en valt in slaap. De droom begint dus met een grondige dissociatie van onze ware Identiteit. Dit wordt door de denkgeest als een enorme, donkere, leegte ervaren, die vervolgens gevuld wordt met een valse identiteit die helemaal niet echt bestaat, net zoals de figuren in een nachtelijke droom niet werkelijk zijn. Vandaar dat het kernconflict van de droom van afscheiding een identiteitscrisis is: “Er is geen conflict dat niet de ene, eenvoudige vraag behelst: ‘Wat ben ik?’ Maar wie anders zou deze vraag kunnen stellen dan iemand die geweigerd heeft zichzelf te herkennen?” (WdI.139.1:6;2:1).

Dit dilemma, van de verkeerd opgevatte identiteit, wordt verergerd door het geloof dat het ware Zelf feitelijk tot de droomfiguur ‘zelf’ behoort, en er op de een of andere manier mee geïdentificeerd wordt. Dit is de bron van veel van de verwarring bij het begrijpen van de boodschap van Een cursus in wonderen, die tot de denkgeest is gericht en niet tot het individu dat zich met een lichaam identificeert. De bron van de Cursus is in feite de juist-gerichte denkgeest van het Zoonschap dat zich God herinnert en gesymboliseerd wordt door Jezus. Dit is het deel van de denkgeest dat zich van de droom bewust is.

De keuze van de denkgeest om naar zijn ware Identiteit terug te keren wordt weerspiegeld in het proces van het zich eigen maken van de belangrijke leerstelling van de Cursus dat we een droom van afscheiding dromen, waaruit we kunnen ontwaken: “Er is helemaal niets gebeurd behalve dat jij jezelf in slaap hebt gebracht, en een droom hebt gedroomd waarin jij voor jezelf een vreemde was, en slechts een deel van iemand anders’ droom” (T28.II.4:1). Door het beoefenen van vergeving, schrijven we onze ervaring in de droom toe aan de macht van de denkgeest en niet aan iets daarbuiten. Daardoor leren we geleidelijk ons met de denkgeest te identificeren, in plaats van met de figuur in de droom. Dit brengt de macht van de denkgeest om anders te kiezen en uiteindelijk uit de droom te ontwaken terug in ons bewustzijn. In een enkel, simpel antwoord op onze vraag over identiteit, definieert Jezus onze ware toestand, onze droomstaat, en de macht van de denkgeest om ons van de ene naar de andere te brengen: “Jij bent thuis in God en droomt van ballingschap, maar je bent volmaakt in staat te ontwaken tot de werkelijkheid” (T10.I.2:1). Elke keer als we de principes van vergeving toepassen in onze relaties, komen we dichter bij volledige aanvaarding en het ontwaken dat hij belooft.