Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#771 Over woede: de Cursus zegt dat we een aanval niet hoeven te vergeven?

Ik kwam in Een cursus in wonderen een zeer verontrustende passage tegen die ik nergens op het internet behandeld heb gezien, ook niet op deze site. Het staat in “De rechtvaardiging voor vergeving” (T30.VI.). De eerste twee zinnen zijn duidelijk: “Woede is nooit gerechtvaardigd. Aanval heeft geen bestaansgrond.” Omdat deze wereld slechts een door onszelf gemaakt waanidee is, zou het gekheid zijn haar serieus te nemen en geërgerd te raken over iets dat ons dwars zit (toch doen we dat!). Echter, een paar zinnen later wordt gezegd: “Er wordt jou niet gevraagd vergiffenis te schenken waar een aanval terecht is, en gerechtvaardigd zou zijn.” Is dat niet volledig in tegenspraak met de vorige zinnen? En de volgende alinea zet deze gedachtengang voort: “Je vergeeft niet het onvergeeflijke, noch zie je voorbij aan een werkelijke aanval die roept om straf. Verlossing wordt niet gevonden wanneer jou wordt gevraagd op een onnatuurlijke manier te reageren, die misplaatst is tegenover wat werkelijk is.” enzovoort. Dus is aanval nu gerechtvaardigd of niet? Wat valt volgens de Cursus onder “een werkelijke aanval die roept om straf”? Ik dacht dat aanval nooit in overeenstemming is met Gods werkelijkheid?

Antwoord: Dit behoort waarschijnlijk tot de meest verkeerd begrepen passages in de Cursus! Ons ego leest dit alsof Jezus zegt dat er van die momenten zijn wanneer een aanval gerechtvaardigd is, wanneer het optreden van anderen zo kwalijk is dat het onvergeeflijk is, en dat hij ons in die gevallen niet gaat vragen om vergeving te schenken, want dat zou onnatuurlijk en misplaatst zijn. Maar wat Jezus bedoelt is juist het tegenovergestelde. Hij corrigeert de vorm van vergeving die de wereld eropna houdt, die hij in de vierde alinea van deze paragraaf “valse vergeving” noemt (T30.VI.4:1), en “vergeving-om-te-vernietigen” in het boekje Het lied van het gebed (L2.II).

De meesten van ons zijn met het idee grootgebracht dat, ongeacht wat voor een verschrikkelijke en barbaarse daad een ander ook mag hebben begaan tegenover ons of een van onze dierbaren, de waarlijk liefdevolle, christelijke (als we christelijk zijn opgevoed) daad is die ander te ‘vergeven’. Het kan zo’n afschuwelijke misdaad zijn, dat bijna iedereen het erover eens is, dat enige vorm van bestraffing alleen maar eerlijk en gerechtvaardigd is. Toch zou de christelijke reactie nog steeds ‘vergeving’ zijn. Maar dit is niet het soort ‘vergeving’ dat Jezus in de Cursus van ons vraagt. Hij zegt ons dat we hoe dan ook moeten vergeven, ongeacht hoe oneerlijk zo’n eis kan aanvoelen. Hij bedoelt in plaats daarvan dat vergeving altijd gerechtvaardigd is, omdat er geen daad bestaat waarvoor een aanval als reactie ooit terecht is. Dus, als correctie op wat 2000 jaar christendom ons over vergeving heeft geleerd, zegt Jezus dat ons nooit wordt “gevraagd vergiffenis te schenken waar een aanval terecht is, en gerechtvaardigd zou zijn”, want een aanval is nooit terecht en gerechtvaardigd, ongeacht hoe wij die ‘misdaad’ waarnemen. Het probleem is nooit, zo beweert Jezus over de protesten van ons ego, de ‘misdaad’, maar onze waarneming ervan.

Met andere woorden: Jezus zegt dat het zien van een aanval – hetzij in anderen, hetzij in onszelf – een verkeerde waarneming door het ego is en niet werkelijk. Daarom kan een aanval als antwoord nooit gerechtvaardigd worden. Als je dit in gedachten houdt en de alinea’s in de Cursus opnieuw leest, dan wordt het helder dat Jezus zegt dat vergeving of vergiffenis zoals gedefinieerd door de Cursus – het oordelen loslaten – altijd gerechtvaardigd is. Er wordt ons niet gevraagd “voorbij [te zien] aan een werkelijke aanval die roept om straf” (T30.VI.2:3) omdat er geen werkelijke aanvallen zijn die ooit om straf kunnen roepen wanneer we in onze juist-gerichte denkgeest verkeren. Dat wil niet zeggen dat we moeten ontkennen dat mensen waanzinnige dingen doen, dat ze doelbewust iemand kwaad berokkenen. Maar desondanks kan het alleen mijn eigen op het ego gebaseerde interpretatie zijn die me dat als aanvallen op mij persoonlijk laat waarnemen.

Een van de helderste weergaven van deze correctie kan worden gevonden in Jezus’ bespreking van de kruisiging, in het Tekstboek: “Een gewelddaad kan per slot alleen tegen een lichaam worden gericht. Het lijdt weinig twijfel dat het ene lichaam het andere kan aanvallen, en zelfs vernietigen. Maar als vernietiging op zichzelf onmogelijk is, kan iets wat vernietigbaar is niet werkelijk zijn. De vernietiging ervan rechtvaardigt dus geen woede. In de mate waarin je gelooft dat dit wel zo is, neem jij valse uitgangspunten aan en onderwijs je die aan anderen. De boodschap die de kruisiging wilde uitdragen was dat het onnodig is in vervolging enige vorm van geweld te bespeuren, omdat je niet kunt worden vervolgd. Als jij met woede reageert, moet dit wel betekenen dat je jezelf gelijkstelt aan het vernietigbare en dat je jezelf dus op een waanzinnige manier bekijkt” (T6.I.4).

Jezus hoefde degenen die zijn lichaam kruisigden niet te vergeven, omdat hij niet met zijn lichaam vereenzelvigd was. En hij zag zijn lichaam niet als zichzelf omdat er in zijn denkgeest geen schuld was die hij buiten zijn denkgeest moest projecteren om zich ertegen te verdedigen. Echter, wij die onszelf nog steeds als lichaam zien moeten wel degelijk leren vergeven. Maar we hoeven niet te leren anderen te vergeven. Wanneer we het gevoel hebben dat we aangevallen worden, komt dat alleen doordat in onze denkgeest schuld nog steeds reëel is, en daar is de vergeving werkelijk nodig. Waarnemen dat anderen aanvallen is altijd louter het gevolg van onze eigen geprojecteerde schuld. Dus als we ons aangevallen voelen, moeten we onszelf vergeven. Geloven dat we anderen voor hun aanvallen op ons moeten vergeven maakt vergeving zoals de Cursus die onderwijst onmogelijk. Dat is wat de Cursus noemt: de zonde eerst tot werkelijkheid maken en dan proberen haar te vergeven. Dit wordt prachtig beschreven in de volgende passage:

“Zij die niet genezen zijn, kunnen niet vergeven. Want zij zijn de getuigen dat vergeving onrechtvaardig is. Ze willen de gevolgen vasthouden van de schuld waaraan ze voorbijzien. Maar niemand kan een zonde vergeven die naar zijn overtuiging werkelijk is. En wat gevolgen heeft, moet werkelijk zijn, want wat het heeft aangericht is voor iedereen zichtbaar. Vergeving is geen medelijden, dat er slechts naar streeft vergiffenis te schenken voor wat het denkt dat de waarheid is. Het kwade kan niet met het goede worden vergolden, want vergeving roept niet eerst de zonde in het leven om die vervolgens te vergeven. Wie kan zeggen en ook menen: ‘Mijn broeder, jij hebt mij verwond, maar toch, omdat ik van ons twee de beste ben, schenk ik jou vergiffenis voor mijn pijn.’ Zijn vergiffenis en jouw pijn kunnen niet naast elkaar bestaan. De een ontkent het bestaan van de ander en maakt die noodzakelijkerwijs onwaar.

Van zonde getuigen en ze toch vergeven is een paradox die de rede niet kan zien. Want ze houdt vol dat wat jou is aangedaan geen vergiffenis verdient. En door die te schenken verleen jij je broeder gratie, maar behoud jij het bewijs dat hij niet echt onschuldig is. De zieken blijven aanklagers. Ze kunnen hun broeders noch zichzelf vergeven. Want niemand in wie ware vergeving rust kan lijden. Hij houdt zijn broeder niet het bewijs van zonde voor ogen. En dus moet hij daaraan hebben voorbijgezien en die aan zijn eigen blik hebben onttrokken. Vergeving kan niet wél voor de een, en niet voor de ander zijn. Wie vergeeft is genezen. En in zijn genezing ligt het bewijs dat hij waarlijk heeft vergeven, en geen spoortje van de veroordeling behoudt die hij zichzelf of enig levend wezen nog steeds aanrekenen wil” (T27.II.2,3 cursief toegevoegd).