Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#770 Waarom zegt Jezus ons de Cursus maar één keer te doen?

Ik begrijp dat Jezus ons zegt de Cursus maar één keer te doen en het dan daarbij te laten. Maar veel mensen werken 10 jaar of meer met Een cursus in wonderen; heeft dat dan geen enkel effect? Ik begrijp ook dat ‘één keer’ betekent: volledig en van ganser harte, onder leiding van de Heilige Geest. Is dat misschien de reden waarom het gewenste resultaat niet compleet is als je hem ‘deelsgewijs’ doet?

Antwoord: Het Werkboek, dat maar een deel van de Cursus is, is opgebouwd voor een oefenperiode van een jaar, maar er zijn in de Cursus geen andere tijdsaanduidingen of speciale instructies voor het leren van zijn leerplan: “. . . de tijd waarop je hem doet staat jou vrij. . . . je kunt kiezen wat je op een gegeven moment wilt doen” (T1.In.1:3,5). Ook al is het niet noodzakelijk het Werkboek meer dan één keer te doen, het is wel de bedoeling dat de basisprincipes van de Cursus die in de lessen voorkomen een leven lang toegepast worden: “Naarmate je meer en meer gemeenschappelijke elementen in alle situaties ziet, neemt onder de leiding van de Heilige Geest de overdracht van de training toe en wordt die veralgemeend. Stapsgewijs leer je die toepassen op alles en iedereen, want de toepasbaarheid ervan is universeel” (T12.VI.6:5,6). Dit wijst op een trainingsproces van langere duur, langer dan het werkboekjaar. Het doel van het Werkboek is eigenlijk een ‘tijdloos’ proces: “je denkgeest systematisch te trainen in een andere waarneming van alles en iedereen in deze wereld. De oefeningen zijn ontworpen om je te helpen de lessen te veralgemenen, zodat je gaat begrijpen dat ze elk evenzeer toepasbaar zijn op je waarneming van alles en iedereen” (W.In.4:1,2). Die ‘andere waarneming’ betekent de omkering van het egodenksysteem, wat tijd kost, zelfs al ben je heel erg gemotiveerd. Denk aan de uitspraak van Jezus in het nawoord aan het einde van het Werkboek: “Deze cursus is een begin, niet een einde” (W.Nw.1:1).

Alles wat we over de wereld en het lichaam geloven is onjuist, want het is gebaseerd op het geloof dat de afscheiding werkelijk is. Gezien het hoge niveau van angst en de weerstand om te aanvaarden dat dit waar is, kunnen we verwachten dat vele jaren van studie en oefening nodig zijn om dit geloof ongedaan te maken. Het is niet waarschijnlijk dat iemands identificatie met het lichaam in één aanhoudend moment verschuift naar het volle gewaarzijn van het ware Zelf. Jezus heeft ons in de Cursus heel wat materiaal verschaft om de omvang van onze angst en weerstand bij te sturen. Dit stelt ons in staat langere tijd rustig verder te gaan, en elke overtuiging die we over alles hebben, met inbegrip en vooral die over onszelf, in twijfel te trekken. We hebben onszelf er zó van overtuigd dat wat we zien, voelen en ervaren werkelijk is, dat we moeilijk kunnen aanvaarden dat we het mis hebben: “Het is voor de ongetrainde denkgeest moeilijk te geloven dat wat hij zich als beeld lijkt te vormen, er niet is. Dit idee kan bepaald verontrustend zijn en op hevige weerstand stuiten, in velerlei vorm” (WdI.9.2:1,2).

Al deze vormen van weerstand kunnen gaandeweg ontrafeld worden wanneer we zorgvuldig en aanhoudend de vele verschillende manieren bestuderen waarop Jezus de eenvoudige kernboodschap van de Cursus presenteert: “. . . dat het onware onwaar is, en het ware nooit is veranderd” (WdII.10.1:1). Het vraagt bereidwilligheid en geduld met onszelf om te leren inzien wat onwaar is, zodat de waarheid onthuld kan worden. Jezus zegt ons in het Tekstboek: “Niets is jou zo vreemd als de simpele waarheid, en er is niets waarnaar jij minder geneigd bent te luisteren. Het contrast tussen wat waar is en wat niet, is volkomen duidelijk, en toch zie jij het niet. Het eenvoudige en het voor de hand liggende zijn niet duidelijk voor hen die graag paleizen en vorstelijke gewaden maken uit niets, en op grond daarvan geloven dat ze koningen met gouden kronen zijn” (T14.II.2:5-7). Gewoonlijk nemen we onszelf niet waar als keizers zonder kleren; toch moeten we dit leren vóórdat we naar de gewaarwording kunnen worden geleid dat niet alleen de keizer geen kleren heeft, maar dat er überhaupt geen keizer is.

Hoewel we het misschien geen spectaculaire resultaten zullen vinden, zijn er toch onmiddellijke en aanzienlijke gevolgen bij iedere stap in het leren aanvaarden van de genezing die Jezus in de Cursus biedt. De denkgeest wordt getraind om de egodynamiek aan het werk te zien, en vervolgens de Heilige Geest te vragen die om te vormen. In dat proces ligt het inzicht vervat dat er Iemand bij ons is die de waarheid vertegenwoordigt. Telkens wanneer de leringen van de Cursus worden toegepast, wordt het geloof in dat deel van de denkgeest waar Hij verblijft versterkt, terwijl het geloof in het ego verzwakt. Het volstaat dat we bereid zijn dit te oefenen: “Jouw bereidwilligheid hoeft niet volmaakt te zijn, want de Zijne is dat. Als je Hem slechts een beetje ruimte geeft, zal Hij die zozeer verlichten dat je die van harte groter zult laten worden. En door die groei zul jij je de schepping beginnen te herinneren” (T11.II.6:6-8). Het is een grote troost dat dit voor iedereen het vaststaand resultaat zal zijn, ongeacht hoe langzaam of deelsgewijs het oefenen met de Cursus misschien ook verloopt.