Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#764 Is de schoonheid van deze aarde een manifestatie van Gods schepping?

Is God niet in de bomen, de zon, enz., die wij zien? Ik vind het moeilijk om een onderscheid te maken tussen de geschapen vormen die de geest van God bevatten en de door het ego gemaakte dingen. Zijn onze geliefde dieren, huisdieren, schepselen van God of slechts vormen die het ego heeft gemaakt? Ik ben bijzonder toegewijd aan de doelstelling van Een cursus in wonderen, maar als ik de schoonheid van de bergen en de bomen zie, heb ik veel moeite om te begrijpen dat deze fysieke schoonheid geen manifestatie is van de geest op deze ‘aarde’. Heeft God niet gezegd: ‘Laat er de hemel en de aarde en de wateren zijn, enz…’ wat voor mij betekent dat dit deel uitmaakt van de schepping, en niet door het ego is gemaakt.

Antwoord: De Bijbel leert dat God de wereld, en alles op de wereld, heeft gemaakt, wat de betekenis is van de Bijbelse passage die je citeert. Een cursus in wonderen leert niet alleen niet dat God de wereld heeft gemaakt, maar ook: “De wereld werd gemaakt als een aanval op God.” (WdII.3.2:1, onze cursivering). In het Tekstboek doet Jezus een nog opvallender uitspraak: “Je kunt niet naar de wereld kijken en God kennen. Slechts een van beide is waar” (T8.VI.2:2-3). Deze en vele andere soortgelijke uitspraken onderscheiden wat de Cursus onderwijst van de traditionele Christelijke theologie en de Bijbel. In feite sluiten ze elkaar wederzijds uit. Jezus laat geen ruimte voor twijfel over de oorsprong van de wereld en haar schijnbare schoonheid: “God heeft haar [de wereld] niet gemaakt. Hiervan kun je zeker zijn” (WdI.152.6:2-3). De Cursus leert dat de wereld ontstaan is door schuld, omdat we ervoor gekozen hebben te geloven dat het mogelijk was van God gescheiden te zijn. Het doel ervan is zich te verbergen voor de ingebeelde straf van een God die vervuld is van toorn over de keuze van zijn Zoon. Met andere woorden, de wereld is een projectie van schuld: “De wereld die je ziet is het waansysteem van hen die gek geworden zijn van schuld” (T13.In.2:2).

Als de droom van de afscheiding serieus genomen wordt, blijft de Zoon achter met het gevoel ontheemd en dakloos te zijn en zoekt hij in de wereld een ‘thuis ver van Huis’. Net zoals onze woningen voorzien zijn van alle comfort, maakt het ego gebruik van de mogelijkheid van de denkgeest om te miscreëren, om zo de wereld van genoeg schoonheid te voorzien om het leven in ballingschap draaglijk en soms zelfs aangenaam te maken. Omdat het echter een droom van afscheiding van God is, kan God er geen deel van uitmaken en wordt Hij uit het bewustzijn ‘verbannen’. Maar om dit afscheidingsplan te laten werken in de denkgeest van de Zoon, moet de verantwoordelijkheid voor de keuze voor afscheiding worden ontkend of vergeten. De beste vorm van ontkenning is projectie. De achterwaartse ego-versie van het verhaal gaat dan ook als volgt: ‘Ik heb er niet voor gekozen om hier te zijn, God heeft me hier neergezet. Het is niet mijn schuld!’. Deze keuze voor de afscheiding, die plaatsvond binnen de denkgeest, wordt ‘uitgespeeld’ in het verhaal van Adam en Eva, de ‘hoogsten’ van Gods schepselen, die zich van God afkeren door hun ongehoorzaamheid. In plaats van de met schuld beladen Zoon, beschouwt God zelf dit nu als een ernstige zonde en legt een zware straf op: lijden en dood. Het leven in ‘het paradijs’ hoe mooi het ook mag lijken, wordt nu overschaduwd door de vloek van de dood. “Kijk nauwlettend naar deze wereld, en je zult inzien dat dit zo is. Want deze wereld is het symbool van straf, en al de wetten die haar schijnen te regeren zijn de wetten van de dood. Kinderen worden met pijn en in pijn in deze wereld geboren. Hun groei gaat gepaard met lijden, en ze leren wat leed is, afscheiding en dood (T13.In.2:2-6). Iedereen hier krijgt dit doodvonnis. Het is simpelweg de straf voor de zonde van ongehoorzaamheid: ‘Het loon van de zonde is de dood’ (Romeinen 6:23).

Jezus vertelt ons in de Cursus dat de gedachte van afgescheidenheid geen zonde is, maar in feite onmogelijk omdat “de afscheiding nooit heeft plaatsgevonden” (T6.II.10:7). De wereld en de hele ervaring van leven in een lichaam is een illusie. God, die werkelijk is, weet niets af van illusies. Als dat wel zo was, zou Hij delen in de nachtmerrie van de Zoon, en dan zou de nachtmerrie waar zijn.

Voortgedreven door de diepe eenzaamheid en pijn die het geloof in de afscheiding met zich meebrengt, zoeken wij troost bij de mooie dingen in deze wereld. Hoewel het kijken ernaar misschien een tijdelijk genot inhoudt, is noch het genot, noch de schoonheid blijvend. Daarom slaagt de grootste schoonheid in de wereld er uiteindelijk niet in om het verlangen van ons hart naar ons ware thuis te stillen. Niets in deze wereld vult de leegte die door de afscheiding is achtergelaten. In feite eindigt al het zoeken in teleurstelling en pijn: “Het is onmogelijk via het lichaam genot te zoeken en geen pijn te vinden. Het is van essentieel belang dat deze relatie begrepen wordt, want het ego ziet die als bewijs voor zonde. In werkelijkheid heeft ze helemaal niets met straf uitstaande. Het is slechts het onvermijdelijk gevolg van jezelf gelijkstellen met het lichaam, wat een directe uitnodiging is aan pijn” (T19.IV.B.12:1-4). Dankzij de behendige egotactiek van ontkenning en vermijding is onze pijn misschien niet altijd even duidelijk voelbaar, maar een zorgvuldige inventarisatie van onze diepste gevoelens zal het verborgen lijden van een bestaan los van God blootleggen. Daarom wordt ons in de Cursus zo vaak gezegd aandacht te schenken aan onze gevoelens en onze denkgeest te onderzoeken op oordelende gedachten. Ze worden gebruikt om de pijn af te dekken, en de genezing van de gedachte van afscheiding begint met het besef hoe pijnlijk dit is.

Als de denkgeest genezen is, is de vrede die uiteindelijk de angst vervangt niet afhankelijk van de schoonheid van een zonsondergang, en wordt niet verstoord door verwoestende stormen. Deze vrede is het doel van de vergeving die Jezus in de Cursus onderwijst. We vergeven onszelf dat we geloven dat we geluk buiten de Hemel kunnen vinden. Maar omdat we geloven dat de wereld en onze lichamen werkelijk zijn, is dit een proces waar we geleidelijk doorheen gaan, en intussen genieten we van de ‘schoonheid van de natuur’, totdat we leren wat de werkelijke schoonheid van onze waarheid is. Kunst of mooie dingen in de natuur kunnen dienen als een weerspiegeling van het juiste denken, wanneer de keuze wordt gemaakt om zich tot de Heilige Geest te wenden in plaats van het ego. Het is belangrijk om ervan te genieten zonder werkelijkheid en illusie te verwarren door te denken dat we God in de illusie kunnen brengen: “Zoek hier niet naar [de voltooiing van God en Zijn Zoon] in de kille wereld van illusie, waar niets zeker is en alles teleurstelt” (T16.IV.9:4).