Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#765 Is het Zoonschap samengesteld is uit vele delen?

Ik verwijs naar V#521. Ik aanvaard dat het Eenzijn van God, en het Eenzijn van het Zoonschap/Christus, hiér niet begrepen kan worden. De Cursus maakt echter melding van Zonen, delen, wezens, individualiteit in de context van de ene Zoon, en in de context van het scheppen (wat zich alleen in de Hemel kan voordoen, begrijp ik), en zegt “het Zoonschap in Zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen” (T2.VII.6:1-9; T4.VII.5:1-7). Hoewel we nu niet kunnen begrijpen hoe dit alles in elkaar past, of kunnen begrijpen of wat we nu als individuele denkgeesten zien gelijkgesteld kan worden met zulke delen of zonen, stelt de Cursus dus duidelijk vast dat het Zoonschap uit delen bestaat. Begrijpt u dat ook zo?

Antwoord: Alhoewel er in het begin van Een cursus in wonderen passages zijn die, zoals je zelf opmerkt, lijken te suggereren dat er individuele wezens in de Hemel zijn, kan deze conclusie gezien in de context van de leringen van de Cursus als geheel, echt niet worden ondersteund. Deze passages waren in het begin van het optekenen van de Cursus oorspronkelijk bedoeld om aan Helen en Bill de aard van de werkelijkheid uit te leggen. Jezus probeerde die werkelijkheid toen aan hen te beschrijven in een conceptueel kader dat zij beter konden begrijpen en hanteren.

Maar latere uitspraken van Jezus in de Cursus maken duidelijk dat hij die woorden in het begin niet letterlijk bedoeld kan hebben. Twee passages in het Werkboek verduidelijken dit in het bijzonder:

“God deelt Zijn Vaderschap met jou, die Zijn Zoon bent, want Hij maakt geen onderscheid tussen wat Hijzelf is en wat nog steeds Hijzelf is. Wat Hij schept staat niet los van Hem, en nergens eindigt de Vader en begint de Zoon als iets afzonderlijk van Hem” (WdI.132.12:3,4; onze cursivering).

“Eenheid is eenvoudig het idee: God is. En in Zijn Wezen omvat Hij alles. Geen enkele denkgeest bevat iets anders dan Hem. We zeggen: ‘God is’, en doen er dan het zwijgen toe, want in die wetenschap verliezen woorden hun betekenis. Er zijn geen lippen om ze uit te spreken en er is geen deel van de denkgeest onderscheiden genoeg om te voelen dat hij zich nu gewaar is van iets dat niet hijzelf is. Hij heeft zich verenigd met zijn Bron. En als zijn Bron Zelf, is hij alleen maar” (WdI.169.5; onze cursivering).

De enkele verwijzingen die Jezus naar het bewustzijn maakt, maken ook duidelijk dat er in de Hemel geen individualiteit kan zijn. Want zelfs als er maar twee onderscheidbare wezens (b.v. Vader en Zoon) zouden bestaan, dan moet bewustzijn ook bestaan, zodat we ons gewaar kunnen worden van iemand anders dan onszelf. Maar heel in het begin van het Tekstboek merkt Jezus op: “Het bewuste, het niveau van de waarneming, was de eerste splitsing die na de afscheiding in de denkgeest werd ingevoerd, wat de denkgeest tot waarnemer in plaats van schepper maakte. Het bewuste wordt terecht als het domein van het ego aangemerkt (T3.IV.2:1,2). Met andere woorden: bewustzijn hangt af van de afscheiding, zodat er een waarnemer kan zijn en dat wat waargenomen wordt. In de Cursus wordt herhaaldelijk beschreven dat waarneming op het ego gebaseerd is, terwijl kennis alleen in de Hemel mogelijk is (b.v. T3.III, IV). Aan het einde van de Cursus verzekert Jezus nadrukkelijk: “De structuur van het ‘individuele bewuste’ is in de kern irrelevant, omdat het een begrip is dat staat voor de ‘oorspronkelijke dwaling’ of de ‘erfzonde’” (VvT.In.1:4). Dus is er geen bewustzijn in de Hemel, en daarom kan er ook geen individualiteit ervaren worden.

Het kan heel behulpzaam zijn in te zien dat het verlangen om ons aan onze individualiteit vast te klampen – en dat gaat in werkelijkheid achter je vraag schuil – ten grondslag ligt aan onze weerstand om de zachtmoedige vergevingsprincipes van de Cursus te beoefenen. Wanneer we inzien hoe sterk we geïnvesteerd blijven in het handhaven van een gevoel van individualiteit, wat het onweerstaanbare ‘geschenk’ van het ego aan ons is, en niets anders dan het verlangen naar afscheiding, dan kunnen we de macht die we aan ons ego hebben gegeven tenminste naar waarde beginnen te schatten. En als we wat onze weerstand betreft zacht voor onszelf kunnen zijn, hebben we een grote stap gezet om onszelf te vergeven dat we gewild hebben dat dit alles werkelijk is. Want we kunnen niet één enkel aspect van het egodenksysteem in onze denkgeest koesteren zonder het allemaal werkelijk te maken: de zonde, de schuld, de pijn, de angst, en de dood.

Je kunt eventueel V#327 nalezen waarin individualiteit en eenzijn in dit verband besproken worden.