Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#763 Kun je de aard van de Heilige Geest en het ego, en de relatie tussen beide nader verklaren?

De volgende twee vragen houden beide verband met de Heilige Geest en het ego, en worden daarom samen beantwoord:

i. Een cursus in wonderen zegt dat, aangezien het ego en de Heilige Geest van een onverenigbare werkelijkheidsorde zijn, ze onmogelijk van elkaars bestaan af kunnen weten. Kenneth Wapnick wijst er vaak op dat het ego zich er alleen bewust van is dat er een macht bestaat die groter is dan hijzelf: die van de ‘keuzemaker’ die een andere keuze maakt. Dat houdt echter in dat het ego zich er op z’n minst bewust van is dat er een alternatief is voor zijn denksysteem. Verder zegt Kenneth vaak, als hij de mythe van de geboorte van het ego uiteenzet, dat het ego de Zoon smeekt niet te luisteren naar de Stem van de Heilige Geest; dat Hij een ‘wraakengel’ is, door God (een andere entiteit waar het ego zich onmogelijk bewust van kan zijn) gezonden om ons te vernietigen. Kun je alsjeblieft de aard van het ‘bewustzijn’ van het ego verduidelijken ten opzichte van de Heilige Geest, en omgekeerd

ii. De Amerikaanse genezer Chris Griscom beschrijft in haar boeken het Hogere Zelf als ‘de megafoon van de Ziel’, een soort ’communicator’ tussen het ‘ego’ en de ziel. Ik vraag me af of de Heilige Geest waar de Cursus over spreekt, gelijkgesteld kan worden met het Hogere Zelf, omdat het ‘de kloof overbrugt’ tussen God en de egowereld?

Antwoord: Om te beginnen een verduidelijking. Het is niet simpelweg zo dat het ego en de Heilige Geest ‘van een onverenigbare werkelijkheidsorde zijn’. Vanuit het perspectief van de Cursus vertegenwoordigt de Heilige Geest de enige werkelijkheidsorde, terwijl het ego symbool staat voor onwerkelijkheid. Het zijn gedachten die elkaar uitsluiten, en slechts één ervan – de Heilige Geest – is waar (T14.IX.2). Onze keuze om in het ego te geloven maakt het ego waar voor ons, en daarom spreekt de Cursus vaak tot ons alsof het ego werkelijk is. Maar dat is alleen om ons te helpen in contact te komen met wat we geloven, zodat we ten aanzien van dat geloof een andere keuze kunnen maken (T4.VI.1; T7.VIII.4:5-7).

Onlosmakelijk verbonden met de egogedachte is het idee dat er iets anders dan hijzelf kan zijn. Want als de afscheidingsgedachte moet het ego, om te kunnen bestaan, los van iets anders bestaan – daardoor is hij ontstaan (WdII.223.1). Alleen al zijn identiteit zelf doet dus veronderstellen dat er iets anders moet zijn dan hijzelf, waar hij van gescheiden is. En dus moet het de erkenning bevatten dat er ‘een alternatief voor zijn denksysteem’ is.

Terwijl het bestaan van het ego veronderstelt dat er iets buiten zichzelf is, is het onmogelijk voor het ego enige kennis of enig begrip te bevatten van wat dat alternatief is. Want het bestaan van het ego hangt af van de ontkenning van dat alternatief (T4.III.4:1-4; T9.I.10:2,3,5; T11.V.16:6-9). Dus ligt in het illusoire bestaan van het ego de gedachte besloten dat het bestaat ten koste van het andere. Het alternatief kan dus alleen vereenzelvigd worden met gevaar, verwerping en vergelding, maar vanuit het perspectief van het ego kan niets van de ware aard ervan gekend worden (T4.II.8:1-8). Zolang de verdedigingsmechanismen van het ego verzinsels bevatten over de aard van God en de Heilige Geest als wrede, op wraak beluste dictators, kan er dus niets geweten worden over Hun ware werkelijkheid als alomvattende Liefde, en de afspiegeling daarvan.

Omdat het ego een alternatieve ’werkelijkheid’ voorstelt, ligt het denkbeeld in zijn vermeende bestaan besloten dat zijn bestaan onverbrekelijk afhankelijk is van het uitoefenen van een keuze tussen de alternatieven (T14.III.4; T17.III.9). En aangezien keuze aan de basis van het broze egobestaan ligt, is de enige echte angst van het ego dat de macht om te kiezen die zijn schijnbestaan tot stand heeft gebracht, ook gebruikt kan worden om tégen zijn bestaan te kiezen. Dat is de enige echte ‘bedreiging’ die vanuit het perspectief van het ego herkend kan worden.

In tegenstelling hiermee is de Heilige Geest de gedachte ter correctie van het ego, die simpelweg stelt dat er niets anders dan God en geen alternatief voor God kan zijn (T24.In.2:8), en dat de afscheiding nooit heeft plaats gevonden (T6.II.10:7-8). Als het symbool van Gods volmaakte Eenzijn, treedt de Heilige Geest wel op in het egosysteem en gebruikt de symboliek ervan, maar alleen om te onderwijzen dat het ego niet werkelijk is. Van de Heilige Geest kan gezegd worden dat Hij Zich bewust is van het ego, maar alleen in die zin dat Hij er de correctie voor is. Maar die correctie veronderstelt niet dat het ego enige werkelijkheid bezit. De correctie is eenvoudig dat het ego niet werkelijk is (T9.IV.5; T9.V.2:1). Terwijl de keuze tussen alternatieven (waarvan er maar één werkelijk is) in onze gespleten denkgeest reëel lijkt te zijn, kunnen we zeggen dat de Heilige Geest de keuze voor het enige Alternatief is.

Dit alles gezegd hebbende, blijkt uit wat er in de Cursus over de Heilige Geest wordt gezegd dat we de Heilige Geest ervaren alsof Hij talrijke verschillende functies heeft, zoals Trooster (bv. T11.III.1:1-2; 7:1-2), Gids (bv. T14.III.14), Middelaar (bv. T5.III.7), en Leraar (bv. T12.V.5,9). Dit zijn allemaal metaforische beschrijvingen die een afspiegeling zijn van hoe we dit abstracte symbool van volmaakte liefde omzetten in specifieke vormen waarmee we ons kunnen vereenzelvigen en die ons geruststellen, zolang we geloven dat we afgescheiden zijn. Maar het is belangrijk in te zien dat de Heilige Geest binnen het metafysische kader van de Cursus niet de Brug is tussen God en de egowereld, maar wel de Brug tussen de gespleten denkgeest en de ene Denkgeest, die van waarneming naar kennis leidt (bv. T5.III.1; WdI.96.8:3). Nu kan het onze ervaring zijn dat de Heilige Geest specifieke gedachten en ideeën aan ons doorgeeft, maar dit is niets anders dan de correctie van de Heilige Geest van het egodenksysteem die door ons wordt omgevormd in een vorm die we bereid zijn te aanvaarden zodat we liefde kunnen ervaren. Aangezien deze functies in de Cursus alleen maar metaforisch zijn, zou het niet correct zijn de Heilige Geest in de Cursus gelijk te stellen met het Hogere Zelf van andere spirituele leringen, die als uitgangspunt hebben dat de wereld werkelijk is.