Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#754 Waarom Gods leiding vragen in een wereld waar Hij niets van weet?

Als we deze wereld verzonnen hebben en God er niet van weet, waarom vragen we dan om Zijn Leiding?

Antwoord: We zoeken leiding omdat we vergeten zijn Wie we zijn, en we hebben hulp nodig om het ons te herinneren. In de Verklaring van termen wordt gezegd: “Je hebt geen hulp nodig om de Hemel binnen te gaan, want je hebt die nooit verlaten. Maar er is wel hulp nodig van buiten jezelf, ingeperkt als jij bent door valse overtuigingen over je Identiteit” (C5.1:1,2). De hulp komt niet van God, omdat zoals je zegt God geen weet heeft van ons als lichaam. Hij verhoort daarom geen gebeden en leidt ons niet: “God geeft geen leiding, omdat Hij alleen volmaakte kennis delen kan (T5.II.5:1); “God helpt niet, want Hij heeft geen weet van noden” (VvT5.1:7). Het ego wil ons echter laten geloven dat de wereld werkelijk is. Dat leidt tot het geloof dat God de wereld en het lichaam heeft gemaakt, en er daarom mee in communicatie is. Dit kan niet zo zijn, want God, Die werkelijk is, kan niet weten van een lichaam dat niet bestaat: “In geen enkel ogenblik bestaat het lichaam überhaupt”(T18.VII.3:1). Maar wij, die zo sterk gehecht zijn aan ons geloof in het lichaam, vinden het moeilijk te begrijpen dat God geen weet heeft van lichamen, en onze gebeden niet hoort. In feite kunnen we niet anders dan God met het lichaam identificeren. Jezus zegt hierover in het Tekstboek: “Alles wat jij ziet vereenzelvig je met uiterlijkheden, met iets buiten jezelf. Je kunt niet eens denken aan God zonder een lichaam, of in een of andere vorm die je denkt te herkennen” (T18.VIII.1:6,7). Daarom gebruikt hij taal, uitdrukkingen en beelden die ons bekend zijn, om ons voorzichtig te vertellen dat we denkgeest zijn en niet een lichaam. Zodoende houdt de vorm van zijn onderwijs rekening met onze angst en onze foutieve overtuigingen, terwijl de inhoud ons geleidelijk voorbij onze angst leidt. Nu we ons gedissocieerd hebben van onze identiteit als denkgeest, zijn we de macht van de denkgeest vergeten en er bang voor geworden. Dat is bijvoorbeeld waarom de prachtige gebeden in het tweede gedeelte van het Werkboek aan God gericht zijn, al wordt ons gezegd dat God geen woorden verstaat (H21.1:7). In werkelijkheid richten we ons tot het deel van onze denkgeest dat de herinnering van God bevat. De inspirerende woorden weerspiegelen de principes die in Een cursus in wonderen onderwezen worden, en ze te bidden helpt ons verbinding te maken met het deel van onze denkgeest dat ze gelooft.

Ditzelfde proces gaat op voor alle manieren waarop we leiding zoeken. Zolang we nog bang zijn voor onze ware Identiteit, hebben we een symbool nodig dat we als ‘buiten’ ons waarnemen, en dat ons juist gerichte denken vertegenwoordigt. Iemand raadplegen wiens wijsheid en voorbeeld we eerbiedigen, woorden bidden tot God, of mediteren, weerspiegelt de keus van de denkgeest om terug te keren naar de Leraar/Heilige Geest vanbinnen, Die tot ons spreekt van buiten de waanzin van het ego. We stellen misschien de foute vragen, of zoeken leiding ter wille van dingen die behoren tot het ego die ons zouden schaden als we ze verkregen. Maar toch versterkt de simpele erkenning dat er een Leraar is ánders dan het ego, tot Wie we ons kunnen wenden, ons geloof in Hem. Daarom is het belangrijk dat we blijven vragen om hulp voor iedere behoefte die we denken te hebben, totdat we ontdekken dat we “alleen de waarheid nodig” hebben; “Daarin zijn alle behoeften bevredigd, eindigen alle hunkeringen, is alle hoop uiteindelijk vervuld en zijn dromen verdwenen” (WdII.251.1:5,6).