Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#747 Wat is de exacte aard van het ego?

Ik heb nog altijd enige twijfel over de aard van het ego. Is het echt zo’n kwaadaardige entiteit die voortdurend probeert ons van God te scheiden? Is het niet beter om te denken aan een geheel van onjuiste ideeën dat we over onszelf hebben gecreëerd en dat het eenvoudige doel dient verkeerde antwoorden te geven wanneer we met bepaalde situaties worden geconfronteerd? Is het niet slechts een referentiepunt waarmee we de goddelijke vrede van de Hemel kunnen vergelijken? Waarom moeten we het zien als een kwaadaardige entiteit? In mijn geval heeft dit idee bijgedragen aan het ontwikkelen van een nieuw soort angst waarmee ik te kampen had.

Antwoord: In Een cursus in wonderen vertelt Jezus ons precies wat het ego is: “Wat is het ego? Slechts een droom van wat jij werkelijk bent. Een gedachte dat je van je Schepper gescheiden bent en een wens te zijn wat Hij niet heeft geschapen. Het is iets waanzinnigs, en allerminst werkelijkheid. Een naam voor het naamloze is al wat het is. Een symbool van het onmogelijke, een keuze voor opties die niet bestaan. We geven het slechts een naam om ons te helpen begrijpen dat het niets is dan de oeroude gedachte dat wat gemaakt is onsterfelijkheid bezit. Maar wat kan hier anders uit voortvloeien dan een droom die, zoals alle dromen, slechts kan eindigen in de dood?” (VvT.2.1:4-11; cursivering van ons). Het ego kan geen entiteit zijn want het heeft geen substantie. Het is de gedachte van afscheiding, die alleen macht gegeven wordt door de keuze van de denkgeest om te geloven dat zij waar is. Wij ervaren het ego omdat we dat willen. We verkiezen het boven de Heilige Geest omdat we de voorkeur geven aan onze speciaalheid als afzonderlijke lichamen, in plaats van aan onze werkelijkheid als Gods onschuldige Zoon. We zijn er bang voor omdat we bang zijn voor de macht van onze denkgeest, die het niet-bestaan van het ego herkent. Als het ego niet bestaat, dan bestaan de wereld en het lichaam evenmin. En die erkenning is angstaanjagend voor hen die zich vastklampen aan speciaalheid in een lichaam.

De wereld en het lichaam verschijnen in onze ervaring als resultaat van de keuze van onze denkgeest ons te identificeren met de afscheidingsgedachte (het ego). Het ego is dus niet iets buiten onszelf, dat op zichzelf bestaat en handelt als een persoon die ons tot van alles kan verleiden. Alleen wijzelf zijn verantwoordelijk voor het ontstaan ervan, door erin te geloven en het toe te staan te gedijen op de schuld die onvermijdelijk volgt op de keuze anders te zijn dan de Zoon die God geschapen heeft. We geloven liever dat het ego een eigen leven heeft, zodat we ons ervan kunnen distantiëren. Dat zou het voor ons mogelijk maken van twee walletjes te eten, namelijk het leiden van een egovrij leven als lichaam buiten de Hemel. Jezus vertelt ons echter in de Cursus dat noch het ego, noch het lichaam bestaat, omdat buiten de Hemel niets bestaat: “Leven dat niet in de Hemel is, is onmogelijk en wat niet in de Hemel is, is nergens” (T23.II.19:6). Voor hen die zich vastklampen aan ‘leven’ in een lichaam is dit geen goed nieuws en lijkt het inderdaad angst te veroorzaken. Die angst komt echter uitsluitend voort uit de onwil om de waarheid waar te laten zijn. Deze zelfde uitspraak bevat echter ook de hoop om te ontsnappen uit de nachtmerrie van de afscheiding, omdat ze zegt dat het ego geen leven heeft en daarom geen macht en geen gevolgen. In een andere passage wordt ons verteld: “Ze [de wereld van het ego] heeft geen betekenis. Ze bestaat niet. Probeer haar niet te begrijpen, want als je dat doet, geloof je dat ze kan worden begrepen en daarom kan worden gewaardeerd en bemind. Dat zou haar bestaan rechtvaardigen, en dat kan niet worden gerechtvaardigd” (T7.VI.11:6-9). Dat is goed nieuws. We zijn vrij om onze aandacht te richten op het pad van vergeving, wat onze enige functie hier is, en de afscheidingsgedachte geleidelijk ongedaan te laten maken. Het ego zal dan, net als de wereld, “in het niets verdwijnen van waaruit het is voortgekomen” (H13.1:2).