Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#743 Hoe kan God ‘eenzaam’ zijn zonder ons als Hij geen weet van ons heeft?

Waarom zegt het Tekstboek dat God zich eenzaam voelt als we geen communicatie of creativiteit met ‘hem’ delen? Ik dacht dat God zelfs geen weet heeft van deze wereld van afscheiding; hoe kan hij zich dan eenzaam voelen? Heeft deze vraag ook weer betrekking op de twee niveaus waarop Een cursus in wonderen geschreven is? – Welke is het ‘werkelijke’ niveau, en waarom zouden we ons druk maken over het tweede niveau (de droomwereld)? Ontstaan er door het verzoek om zich met God te verbinden geen schuldgevoelens in het ego? Zegt Een cursus in wonderen iets positiefs over de reden waarom we ‘hier’ zijn?

Antwoord: De Cursus maakt gebruik van metaforen en heeft in de vorm veel tegenstrijdige passages. Daarom kan hij niet uitsluitend op een intellectueel niveau gelezen en begrepen worden. De inhoud ervan en zijn liefdevolle boodschap van vergeving kunnen alleen begrepen worden als de denkgeest zich bereidwillig openstelt voor de waarheid die erin weerspiegeld wordt. De Cursus onderwijst dat de wereld een illusie is en de afscheiding nooit heeft plaatsgevonden, maar dat wordt ogenschijnlijk tegengesproken door het feit zelf dat de Cursus in de vorm bestaat. Het is dus duidelijk dat de Cursus vanaf zijn ontstaan zijn vorm liefdevol aanpast om te hulp te komen aan het doodsbange, schuldbeladen deel van de denkgeest van Gods Zoon die gelooft dat hij onherroepelijk verloren is omwille van zijn vreselijke zonde. Volgens de logica van het ego veroorzaakt de schuld die het gevolg is van de ‘afscheidingszonde’ een enorme angst voor straf van een kwade God. Wanneer de Cursus ons zegt dat God weent en eenzaam is zonder ons (T5.VII.4; T2.III.5), is de boodschap dat Hij geen kwade, wraakzuchtige God is, maar Iemand die ons liefheeft en ons mist.

Deze symbolische beelden helpen ons omdat we minder moeite hebben met het idee van een liefdevolle vader dan van het abstracte wezen van God. Jezus zegt ons dan ook: “Je kunt niet eens denken aan God zonder een lichaam, of in een of andere vorm die je denkt te herkennen” (T18.VIII.1:7). Deze enkele zin verklaart de metaforen die in de Cursus worden gebruikt, en ook de onderwijsniveaus. Aangezien we geloven dat we in de wereld zijn, onderwijst Jezus ons vanaf ons ervaringsniveau. Omdat we ervoor gekozen hebben ons met het lichaam te vereenzelvigen, denken en handelen en ‘redeneren’ we als lichamen, dus komt de Cursus in een vorm die we kunnen begrijpen, en hij gebruikt talrijke metaforen, poëtische beeldspraak en symbolen om te spreken over de Liefde die we ontkend en vergeten hebben.

Vanuit het gezichtspunt van het ego, geeft alles aanleiding tot schuldgevoelens. Het dankt zijn ‘leven’ aan de afscheidingsgedachte en hangt af van de daaropvolgende schuld om het in leven te houden. Het ego interpreteert de roep om naar huis, naar God, terug te keren als bewijs dat de afscheiding werkelijk is. Het aanvaardt de werkelijke boodschap niet die ons zegt dat we ons thuis in God nooit verlaten hebben. Als de Cursus met het ego als interpretator wordt gelezen, is er veel dat gebruikt kan worden om angst in te prenten en schuld te vergroten. Dat is in iedere ervaring het doel van het ego, en de Cursus vormt daar geen uitzondering op. De Cursus vertelt ons in feite dat het ego zo werkt: “Telkens wanneer je op je ego reageert, zul je schuld ervaren en straf vrezen” (T5.V.3:6).

Alleen wat waar is, is ‘werkelijk’. Aangezien “de wereld een illusie [is]” (WdI.155.2:1), d.w.z. niet werkelijk, niet waar, is alles erin eveneens niet werkelijk, met inbegrip van onszelf, als lichaam. Alleen omwille van onze overtuiging dat we lichamen in de wereld zijn, is het nodig dat Iemand van buiten de illusie ons daaruit leidt door ons op ons ‘niveau’ tegemoet te komen. De enige reden waarom we ons zouden moeten bezighouden met de wereld – die wij gemaakt hebben om ons gescheiden van God te houden – is dat het een klaslokaal is om het leerplan van vergeving van de Heilige Geest te leren. De Heilige Geest heeft wat wij gemaakt hebben nodig om ons terug naar Hem te leiden, door ons niet alleen te onderwijzen dat onze wereld en ons lichaam ons niet gelukkig zullen maken, maar ook dat ze niet werkelijk zijn. Het enige positieve dat de Cursus over ons ogenschijnlijke bestaan in de wereld zegt, is dan ook dat het een illusie is die als klaslokaal kan dienen.

Met begrip voor wat wij denken dat onze werkelijkheid is en liefdevol respect voor dat deel van onze eigen denkgeest dat andere ideeën heeft, geeft Jezus ons een hoopvol antwoord op de vraag waarom wij hier zijn: “Niets wat de ogen van het lichaam schijnen te zien, kan iets anders zijn dan een vorm van verzoeking [om te geloven dat de afscheiding werkelijk is], aangezien dit nu juist het doel van het lichaam was. Toch hebben we geleerd dat de Heilige Geest voor alle illusies die jij gemaakt hebt een andere toepassing heeft, en daarom ziet Hij er een ander doel in. Voor de Heilige Geest is de wereld een plaats waar jij leert jezelf te vergeven wat jij als je zonden beschouwt. Zo bezien wordt de fysieke verschijningsvorm van verzoeking de geestelijke erkenning van verlossing” (WdI.64.2).