Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#742 Is het speciaalheid als ik wil dat anderen weten dat ik Jezus liefheb?

In De meest gestelde vragen over Een cursus in wonderen zeggen Kenneth en Gloria Wapnick dat het verlangen om als een ‘spirituele persoon’ of een ‘liefdevolle persoon’ gezien te worden een uitdrukking van speciaalheid is. Maar aan de andere kant heb ik het gevoel dat ik een masker draag als ik mijn liefde voor Jezus en God en Een cursus in wonderen voor anderen verberg. Ik wil dat anderen weten hoezeer ik Jezus liefheb en hoezeer dit pad, dat soms kronkelig is, een deel van mijn leven is. Ik heb gelezen dat Kenneth Wapnick ergens zegt dat als je iemand werkelijk liefhebt, je dat niet hoeft uit te bazuinen, maar Jezus zegt in de Cursus dat we ‘even gedreven zullen zijn als hij om te delen wat je geleerd hebt’.

Antwoord: Het onderscheid tussen vorm en inhoud kan je helpen dit dilemma op te lossen. Het is niet omdat je wilt vermijden om in de val van speciaalheid te lopen dat je de liefde die je voor Jezus, God en Een cursus in wonderen koestert, moet verbergen. Die liefde is de inhoud in je denkgeest. Wanneer je met die liefde vereenzelvigd bent, en zij je motivatie vormt, kies jij niet de vorm waarin die inhoud tot uitdrukking komt. Jij bekommert je helemaal niet om vorm. Liefde zal automatisch door jou heen stromen in de vorm die voor iedereen het meest behulpzaam is. In die zin doe je alleen maar een stap terug en laat je liefde de weg wijzen. Wanneer je je met liefde vereenzelvigd hebt, verdwijnt in feite het jij als een persoon die noden, verlangens en eisen heeft; je bent vrediger, je neemt niets persoonlijk op, en je glimlacht vaker (zie Les 155 – WdI.155.1). Dat is geen masker. Jezus vraagt ons: “Onderwijs niet dat ik tevergeefs gestorven ben. Onderwijs liever dat ik niet gestorven ben door te demonstreren dat ik leef in jou (T11.VI.7:3-4). In de Inleiding tot het Handboek voor leraren staat een verdere bespreking van Jezus van deze aanpak van het onderwijzen; namelijk dat we onderwijzen door te demonstreren (H.In.1-3). Wat we geleerd hebben, delen we niet noodzakelijk door woorden te gebruiken, zoals wordt uitgelegd in de geciteerde passages.

Het is volkomen normaal dat je enthousiast bent, maar als je een noodzaak voelt om over je liefde voor Jezus te spreken – dat je moet – dan ben je weer in je ego gegleden, want als je hem waarlijk liefhebt, ben je van binnen volkomen rustig, dan ben je tevreden in dat rustige centrum in je denkgeest, en weet je dat jouw liefde voor hem en de zijne voor jou de enige werkelijkheid is. Niets anders kan dwang op je uitoefenen. Aan de andere kant kan ‘dit soms kronkelig pad’ conflict en angst teweegbrengen en dan kan het helpen je tot iemand te richten die begrip en medeleven toont. Dat hebben we af en toe allemaal nodig, tot we ons ego opzij hebben gezet. Maar dat is heel iets anders dan willen dat anderen weten hoe belangrijk dit spirituele pad voor je is. Dat zou een manier kunnen zijn om je van anderen te onderscheiden: ‘Kijk hoe spiritueel ik ben en hoe hard ik hieraan werk.’ Het ego sluipt soms op een behoorlijk subtiele manier het proces binnen.