Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#710 Is alles wat we verlangen hetzij het verlangen naar God, hetzij het verlangen naar een substituut voor Hem?

Kunnen we zeggen dat het waar is dat we altijd verlangen naar God of naar een substituut voor Hem? Vallen al onze wensen (voor personen, plaatsen, dingen, gebeurtenissen, situaties, activiteiten) binnen één van deze twee categorieën? De éne is waar, de andere is een illusie; de éne leidt tot vrijheid, de andere tot lijden? En komt het erop neer dat al onze twijfels en angsten uiteindelijk over God gaan?

Antwoord: Ja, dat is waar. Maar Een cursus in wonderen is geen voorstander van het vermijden of verwerpen van de substituten voor God. Daarin is hij uniek. Nog minder noemt de Cursus ze zondig, ook niet als we ons ervan bewust worden dat we ons hiermee bezig houden. De Cursus gaat dus over twee niveaus. Het eerste niveau bevat uitspraken over de absolute waarheid, zoals jouw eerste uitspraak. Op het tweede niveau vinden we uitspraken over het leven in deze wereld (hoewel illusoir). Dit wordt zodanig besproken dat we geleidelijk aan de illusoire aard ervan gaan accepteren en eveneens de illusoire aard van onze identiteit als afgescheiden individuen. “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen” (T18.VI.4:7-8).

Op dit tweede niveau spreekt de Cursus dus de keuzemaker in de denkgeest buiten tijd en ruimte aan. Deze kiest tussen het juiste en onjuiste gebruik van de wereld en onze identiteit als lichamen. Wanneer we het doel (vergeving) van de Heilige Geest aanvaarden in ons leven, dan groeien we zachtjes naar de ideale toestand. Dat wil zeggen dat we altijd in vrede zijn, ongeacht wat er zich afspeelt in onze persoonlijke wereld of in de wereld in het algemeen. Dat is de betekenis van vrijheid in de Cursus. We worden bevrijd van de tirannieke overheersing van het ego over ons denken, wat de bron is van alle lijden en angst. Alle angsten en twijfels over ons leven in de wereld zijn een schaduw van wat zich in werkelijkheid in onze denkgeest afspeelt. Want de wereld is alleen maar “de uiterlijke weergave van een innerlijke toestand” (T21.in.1:5; T25.VIII.12:3). Het bereiken van vrijheid is derhalve de overgang van onjuist naar juist gericht denken. Uiteindelijk leidt dit naar het herstel van de Eenheid-van-denken, die onze natuurlijke staat is.

De paragraaf in het Tekstboek: “Voorbij alle afgoden” (T30.III) is een prachtige bespiegeling op dit thema.