Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#695 Een ‘ongehoord’ verzoek

Dit gaat over je antwoord op V#465 met betrekking tot T12.III.4. Een cursus in wonderen onderwijst dat de wereld een afspiegeling is van onze denkgeest ("de uiterlijke weergave van een innerlijke toestand" (T21.In.1:5); waarom zou iemand aan een verlicht persoon dan vragen om iets ongehoords te doen? Betekent dit dat je tot iemand als Sai Baba nooit een ongehoord verzoek kunt richten? En ten tweede, als mijn denkgeest vrij is van schuld, hoe kan iemand dan zelfs vragen om iets ‘ongehoords’. Een schuldvrije denkgeest kan geen schuld weerspiegelen, zelfs niet in de vorm van een vraag. Ik dacht dat wanneer je ‘het snapt’ zo’n vraag zelfs niet in je denkgeest oprijst. Daarom vind ik dit in tegenspraak met de leer van liefde of angst, licht of donker; als ze tegenpolen zijn, hoe kan liefde en angst dan tegelijkertijd aanwezig zijn?

Antwoord: In de eerste plaats richt Jezus zich met deze leer tot ongenezen denkgeesten, die nog steeds schuld projecteren. Zoals je zelf zegt, zou een denkgeest die vrij is van schuld nooit aanvallen of zich aangevallen voelen. Binnen de droom kan een genezen denkgeest het voorwerp van een aanval door iemand anders zijn, zoals dat het geval was met Jezus die waarnam dat anderen hem aanvielen, maar het zelf niet als een aanval heeft ervaren. Het kan zijn dat een genezen denkgeest zo’n situatie kiest om te kunnen onderwijzen.

Stel, bij wijze van voorbeeld van wat Jezus onderwijst, dat jij erop staat dat ik naar de winkel ga om iets te kopen dat jij nodig hebt. Ik vaar onmiddellijk tegen je uit en weiger boos om te gaan, en ik zeg: ‘Dat is ongehoord! Hoe durf je erop aan te dringen dat ik voor jou naar de winkel ga. Ga zelf, en val me niet langer lastig!’ Jezus heeft het over dit soort extreme reacties op een verzoek van iemand anders. Als ik van mijn onjuist gerichte denkgeest naar mijn juist gerichte denkgeest was overgeschakeld, zou ik het niet ongehoord hebben gevonden dat jij er erop stond om voor jou naar de winkel te gaan, en dan zou ik je niet aangevallen hebben als tegenreactie. Want ik zou ingezien hebben wat je werkelijk vroeg: verlost te worden van jouw zelfhaat en van je angst voor de straf van God voor jouw ‘zonde’ je van Hem te hebben afgescheiden. Je vroeg om liefde, en ik zou met liefde op dit verzoek gereageerd hebben omdat ik in innerlijke vrede was en niet in verzet. De specifieke vorm van die liefde zou voor mij niet van belang zijn, d.w.z. ik zou doen wat je gevraagd hebt, of niet. Ik zou niet het gevoel hebben dat mij iets werd opgelegd of dat mijn eigen behoeften te kort werden gedaan. Dat is wat Jezus bedoelt als hij zegt: "Er kan geen ‘ongehoord’ verzoek worden gedaan aan iemand die onderkent wat waardevol is en niets anders wil accepteren"

Jezus helpt ons een duidelijk beeld te krijgen van 'het ‘hoe’ en het ‘wat’ van de verlossing (T12.III.5:3). Het feit dat jij erop staat dat ik naar de winkel zou gaan, betekent dat jij gelooft dat jouw verlossing ligt in het krijgen van wat jij wilt. Mijn krachtig verzet zou betekenen dat ik geloof dat verlossing ligt in het feit dat ik je niet geef wat je wilt. Dat is het probleem dat Jezus vaststelt bij dit soort interacties. Ik, als ongenezen denkgeest, ben gewoon vergeten dat mijn verlossing net als de jouwe, ligt in de kracht van onze denkgeest om tegen het ego te kiezen en voor het denksysteem van vergeving van de Heilige Geest.