Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#693 Waar verblijft het kwaad?

Waar verblijft slechtheid of het kwade? Bestaat het in ieder van ons? Bestaat het alleen in onze waargenomen vijand? Als onze vijand niet langer meer bestond, zou het kwaad er dan niet meer zijn? Als het kwaad niet langer bestond, zou onze vijand er dan niet meer zijn? Waarom vernietigen wij ter ere van God? Is slechtheid angst of juist andersom? Beheersen angst en liefde alles wat we doen? Hebben we controle over de keuze tussen die twee?

Antwoord: Deze eenvoudige en directe verklaringen uit het Tekstboek zijn de basis voor het antwoord op je vragen over het kwaad: “De waarheid is waar. Niets anders is van belang, niets anders is werkelijk en al het andere bestaat niet” (T14.II.3:3,4). En in de Inleiding van het Tekstboek staat: “Niets werkelijks kan bedreigd worden. Niets onwerkelijks bestaat” (T.In.2:2,3). Wat werkelijk en waar is, is onze Identiteit als onschuldige Zoon van God. Al het andere is een onderdeel van onze ervaring binnen de illusie. Deze illusie komt in onze denkgeest op wanneer we ervoor kiezen te geloven dat de afscheiding werkelijk is en bovendien een zonde die straf verdient. Dit fundamentele geloof van het egodenksysteem brengt iedere gedachte van slechtheid, pijn, haat en wanhoop tot leven, en deze gedachten maken ons leven tot een duistere nachtmerrie waarin we een ‘leven’ los van God lijken te hebben. De droom zelf kan beschouwd worden als ‘het kwaad’, in de zin dat zijn bron, de afscheidingsgedachte, een aanval is op God en Zijn Zoon. De weg die de droom ínvoert is dat we God en onze eenheid met Hem ontkennen, en in plaats daarvan kiezen voor de illusie van het lichaam en de wereld. Jezus geeft ons een duidelijke uiteenzetting over hoe het ego de werkelijkheid vervangt: “Zonde is de bakermat van alle illusies, die slechts staan voor denkbeeldige zaken voortkomend uit gedachten die onwaar zijn. Ze zijn het ‘bewijs’ dat wat geen werkelijkheid heeft, toch werkelijk is. Zonde ‘bewijst’ dat de Zoon van God slecht is, dat aan tijdloosheid een einde moet komen, en dat eeuwig leven sterven moet. En God Zelf heeft de Zoon verloren die Hij liefheeft, waarbij Hem niets rest dan verval om Hem compleet te maken, Zijn Wil voor eeuwig door de dood overwonnen is, liefde is vermoord door haat, en vrede niet langer bestaat” (WdII.4.3:1-4). Geen geweldige plek om te vertoeven.

Hoewel niet werkelijk bestaand, komt het kwaad de illusie binnen als een kracht die de denkgeest op de hielen zit zogauw die ervoor kiest zich te identificeren met het ego. Maar het is een kracht die geen macht heeft, omdat het een gevolg is en geen oorzaak. Dat wil niet zeggen dat we, als we eenmaal geloven dat we een lichaam in de wereld zijn, geen ervaringen hebben die plezierig lijken, en andere die we ‘slecht’ noemen. Op die manier bewaakt het ego zijn eindeloze reeks van kwalificaties, waarbij iedere ervaring binnen de droom verschillend wordt gemaakt. Er wordt ons niet gevraagd om deze verschillen te ontkennen, maar om ze te herkennen als het plan van het ego om de droom tot werkelijkheid te maken, en vervolgens in te zien dat ze machteloos zijn.

Als concept van het ego is slechtheid het product van angst. Bang dat God Zijn Zoon zal straffen voor de keuze van afscheiding in plaats van eenheid, verzint de Zoon ontelbare kwade ‘monsters’ die erop uit zijn om hem te pakken te nemen; net zoals een kind gelooft dat de monsters die hij gefantaseerd heeft op het punt staan aan te vallen: “De dromen van een gek zijn angstaanjagend, en zonde lijkt inderdaad angst aan te jagen. En toch is wat de zonde ziet slechts een kinderspel” (WdII.4.4:1,2).

De wereld, vol slechtheid, angst, zonde, schuld, vijanden, gevaar en aanval, is de droom van een gek. Wanneer we eenmaal gevangen zijn in dit gedachtesysteem, maakt het niet meer uit waar het slechte op de loer ligt, of in wie. Het ‘goede’ en het ‘kwade’ van het ego zijn hetzelfde, want zij dienen beide hetzelfde doel: ons wortelen in het geloof in afscheiding. ‘Ontsnapping’ uit dit systeem is alleen mogelijk door ons te vereenzelvigen met de herinnering van Gods Liefde, die verblijft in een deel van onze denkgeest. Al zijn er verschillende wegen, uiteindelijk zal iedereen deze Liefde aanvaarden. De weg van studenten van de Cursus is om iedere verkeerde waarneming van het ego naar het licht te brengen, naar de ware waarneming van de Heilige Geest. Door onze interpretatie van onze ervaring in de wereld te laten vervangen door de Zijne, worden we geleidelijk aan bevrijd van de ‘kwade schaduw’ van het ego. Dit vraagt niet meer dan onze bereidwilligheid om alles als een projectie te zien van de schuld in onze denkgeest, die voortkomt uit onze identificatie met het ego.

Hoewel we het mis hebben over onze ego-identiteit, zijn we niet veroordeeld tot bestraffing door kwade krachten, noch is het ons gelukt om de werkelijkheid te veranderen door onze waanzinnige verzinsels: “Correctie heeft een antwoord op dit alles en op de wereld die hierop berust: Je ziet slechts interpretatie voor waarheid aan. En je vergist je. Maar een vergissing is geen zonde, en de werkelijkheid is door jouw beslissing niet van haar troon gestoten. God regeert voor eeuwig, en alleen Zijn wetten heersen over jou en over de wereld. Zijn Liefde blijft het enige wat er is. Angst [het kwade] is een illusie, want jij bent zoals Hij.” (H18.3:6-12)

Geen enkele vernietiging eert God. In feite vraagt God ons helemaal niet om Hem te eren, maar de god van het ego wel. En aangezien de god van het ego een vernietiger is (T23.II.7:8; T26.VII.7), betekent hem eren, zijn zoals hij. De enige manier waarop we God kunnen eren is aanvaarden dat we zijn zoals Hij ons geschapen heeft. Niets meer, maar ook niets minder. De non-dualistische theologie van de Cursus onderwijst dat God Zijn Zoon niet kent als gescheiden van Zichzelf; Hij is louter eenheid. Onze gespleten denkgeest kan niet echt begrijpen wat eenheid is, maar we kunnen wel leren wat het niet is: het is geen angst, slechtheid of vernietiging.

Ons doel als studenten van de Cursus is niet om te proberen slechtheid te vermijden, uit te bannen of te transformeren, maar ons geloof in afscheiding ongedaan te maken door middel van vergeving. Zo zullen we uiteindelijk onze kwade dromen vergeten en ons alleen Gods Liefde herinneren. De enige keuze die we moeten maken is die tussen de leugen van het ego over zonde, schuld en angst, en de boodschap van de Heilige Geest die ons vertelt dat we nog altijd onschuldig zijn, zoals we zijn geschapen. Er is niets gebeurd dat de Liefde kon vernietigen die de Vader uitbreidt naar Zijn Zoon. Dat is wat we ons willen herinneren. “Niets anders is van belang, niets anders is werkelijk.” (T14.II.3:4)