Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#690 Waarom moet ik God vergeven?

Ik heb grote problemen met één zin die steeds terugkomt in Een cursus in wonderen en die ook voorkomt in V#453, die draait rond de uitspraak: “Vergeef je Vader dat het niet Zijn Wil was dat jij gekruisigd werd” (T24.III.8:13). Waar ik last mee heb, is de uitspraak: ‘Daarom moeten wij God vergeven; Hij maakt geen deel uit van onze waanzin…’.Als ik iemand op de gewone manier vergeef, vergeef ik wat hij of zij me heeft aangedaan en voel ik geen wrok jegens hem of haar. Hoe kan ik God vergeven? Hij heeft niets in mijn nadeel gedaan. Ik vind het heel verwarrend, als het op deze manier wordt gezegd.

Antwoord: Wat Hij ‘mis’daan heeft, is dat Hij ons niet opmerkt – de ultieme belediging! God (de ware God) is volkomen onbewust van ons bestaan, en is daardoor niet betrokken bij ons leven om onze vele opofferingen en inspanningen die gedaan worden in naam van goedheid en onschuld, te zegenen, en ons oordeel over degenen die ons onheus bejegend hebben, te rechtvaardigen. Jezus leert ons dat het waanzinnig is om te denken dat de een moet verliezen, wil een ander winnen (T25.VII), en dat liefde kan uitsluiten. Maar deze principes zijn de kern van het denksysteem dat ons leven beheerst, en zijn inderdaad de bron zelf van ons bestaan als individu. God kan als volmaakte Eenheid en Liefde niet de oorsprong zijn van deze waanzin, wat betekent dat die niet werkelijk is. Als gevolg daarvan wordt het duidelijk dat ons bestaan als individu op geen enkele manier met God verbonden is. Lijden, pijn en dood, net als heldhaftigheid en triomf, zijn niet Zijn Wil.

Een omvangrijk systeem van misleiding en leugens wordt zo blootgelegd, en de fundering van ons bestaan en het universum waarin we ogenschijnlijk leven, wordt aan gruzelementen geslagen, en dwingt ons in confrontatie te gaan met datgene wat we gezworen hebben nooit meer te zullen bekijken (T19.IV.D.6:1). Al wat er in onze persoonlijke wereld en ook in de wereld in het algemeen gebeurt, is onze wil, niet die van God. Wat dit inzicht met zich meebrengt, is onthutsend en wordt het middelpunt van wat Jezus zijn hele Cursus door onderwijst. Het lijkt veel draaglijker Gods zegen te krijgen over onze strijd en ons lijden, wat onze waarneming van zonde en daders ‘daarbuiten’ rechtvaardigt, in plaats van zelf (als de ene Zoon) voor dit alles de verantwoordelijkheid te moeten nemen. Omwille hiervan moeten wij God vergeven. Hij hecht geen geloof of kent geen geldigheid toe aan wat voor ons zo werkelijk en betekenisvol is: “Niet één van Zijn Gedachten heeft in deze wereld ook maar iets zinnigs. En niets van wat de wereld voor waar houdt heeft in Zijn Denkgeest enige betekenis” (T25.VII.3:3-4). Omdat God ons denksysteem niet steunt, steunt hij ons, zoals we onszelf kennen, ook niet. Wat voor ons zoveel betekenis heeft, betekent niets voor God.

Hetzelfde geldt ook voor Jezus. Hij ziet alles wat van het lichaam of onze individuele identiteit is als betekenisloos – alle gebeurtenissen in ons leven, die van zoveel belang lijken te zijn, hebben geen betekenis. Dit komen we al tegen in de allereerste les van het Werkboek, en nog dikwijls en op allerlei manieren in de overige lessen, zoals in Les 93: “Het zelf dat jij gemaakt hebt, is niet de Zoon van God. Daarom bestaat dit zelf helemaal niet. En alles wat het schijnt te denken en te doen, betekent niets. Het is noch slecht, noch goed. Het is onwerkelijk, en meer niet” (WdI.93.5:1-5). Dit besef moet onherroepelijk een paar intense emoties bij ons doen opwellen – angst, boosheid, verwarring, enz. Wie hoort graag dat ze onwerkelijk zijn?

Dit is echter nog niet het einde van het verhaal, want op een bepaald punt in ons werk met de Cursus zullen tot onze opluchting merken dat we de last van ons schuldig geheim niet meer dragen. We zullen blij zijn dat ons is aangetoond dat we ons vergist hebben in al wat we dachten dat de waarheid was. Maar voor we dat stadium bereiken, komt de boosheid dat God ons verhaal niet heeft geloofd. Het is helemaal niet fijn op een leugen betrapt te worden, en het is vooral vernietigend wanneer de misleiding onze eigen identiteit betreft. We worden ons plotseling bewust van de enorme zelf-misleiding waar we mee bezig zijn, en zonder de hulp van Jezus en zijn cursus, of een andere liefdevolle afspiegeling van de waarheid buiten ons denksysteem, zouden we het heel moeilijk hebben om het hoofd te bieden aan deze situatie en alle schuld en angst die erdoor teweeg worden gebracht. Al wat een steun voor ons was, blijkt nu alleen maar een strategische manier te zijn om ons van de waarheid over onszelf en de werkelijkheid af te houden – verdedigingen tegen de waarheid. Het is alsof de bodem onder ons weggeslagen is. Maar Jezus helpt ons beseffen dat we alleen maar de bereidwilligheid moeten hebben om een andere leraar in onze denkgeest te kiezen, hem in plaats van het ego, en de vrede zal in ons bewustzijn terugkeren. We ontwaken eenvoudigweg uit de nachtmerrie van de afscheiding van onze Schepper en Bron.