Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#682 Wat bedoelt Jezus met ‘vermogens’?

Waar zinspeelt Jezus op in Een cursus in wonderen wanneer hij spreekt over ‘vermogens’? In de paragrafen “Genezing als het inzien van de waarheid” en “Genezing en de onveranderlijkheid van de denkgeest” (T7.IV en V) worden vermogens diverse malen genoemd, en ook in het Handboek voor leraren: “Zijn ‘bovennatuurlijke’ krachten wenselijk?” (H.25)

Antwoord: Het vermogen van de denkgeest om te kiezen tussen de waanzin van het ego en de genezing van de Heilige Geest is volgens de Cursus het enige vermogen van betekenis. In het Tekstboek staat: “Genezing is het enige vermogen dat ieder kan en moet ontwikkelen, wil hij worden genezen” (T7.V.3:1). En genezing is het gevolg van vergeving. Daarom is vergeving het enige vermogen dat we werkelijk dienen te ontwikkelen door het steeds maar weer te beoefenen. Het zal ons niet beroemd maken, maar het zal ons uiteindelijk wel terug naar huis brengen, daar waar we thuishoren, het huis dat we nooit werkelijk verlaten hebben.

Wanneer de denkgeest voor het ego kiest en zich identificeert met het lichaam, misbruikt het de macht die het deelt met God door deze te projecteren als diverse ‘vermogens’ die de ware functie van de denkgeest nabootsen. Zo ontwikkelt het ego zijn eigen logica met behulp van ‘vermogens’ die zijn doel van afscheiding dienen. Wat het gebruik van het ‘verstand’ lijkt, bijvoorbeeld denken, leren, voorstellingsvermogen of geheugen, zijn feitelijk functies van de lichamelijke hersenen. Zij dienen het ego door het geloof te ondersteunen en te verdedigen dat de afscheiding werkelijk is en dat leven buiten de Hemel mogelijk is. In de paragraaf “Genezing als het inzien van de waarheid” (T7.IV), en in vele paragrafen van de Cursus (bijv. T9.III.8, T14.IV.5, T21.III.6, WdI.64), staat dat de Heilige Geest alles wat het ego gemaakt heeft kan gebruiken voor Zijn doel van genezing. Het bestuderen van de Cursus vereist inderdaad vele verstandelijke vermogens. Dit is op zich een voorbeeld van hoe de Heilige Geest de vermogens van het ego gebruikt voor het leren van Zijn leerstof. Hij gebruikt de vervormingen van het ego – vervormingen van de macht van de denkgeest - om de denkgeest terug te voeren naar zijn enige vermogen van betekenis: kiezen. Vervolgens leert Hij ons de enige werkelijke keuze te maken: de Identiteit te aanvaarden die God ons gaf als Zijn onschuldige Zoon. Er wordt ons niet gevraagd te ontkennen dat we een lichaam met bijzondere vermogens denken te zijn. In feite is inzien hoe indrukwekkend en belangrijk we denken dat onze vermogens zijn een heel belangrijk deel van het leerproces. Maar Jezus zegt in het Tekstboek: “Het lichaam maakt eenvoudig deel uit van jouw ervaring in de fysieke wereld. Zijn vermogens kunnen worden overschat en dat gebeurt ook vaak” (T2.IV.3:8,9). ’Overschat’ is te zwak uitgedrukt, aangezien Jezus ergens anders zegt: “In geen enkel ogenblik bestaat het lichaam überhaupt” (T18.VII.3:1). Alleen ons geloof in een lichaam met vermogens heeft de hulp van de Heilige Geest nodig, en de Cursus laat ons de uitweg uit het ego-denksysteem zien, en maakt daarvoor gebruik van dat wat het ego gemaakt heeft. En dus wordt gezegd: “Vermogens dienen ontwikkeld te worden eer je ze gebruiken kunt. Dit geldt niet voor enig iets wat God geschapen heeft, maar het is de meest milde oplossing denkbaar voor wat jij hebt gemaakt. In een onmogelijke situatie [geloof in afscheiding] kun jij je vermogens zodanig ontwikkelen dat ze jou daaruit kunnen bevrijden. Je hebt een Gids die jou toont hoe ze te ontwikkelen, maar jij hebt geen andere bevelhebber dan jezelf” (T6.IV.9:1-4). Met andere woorden: alleen wij kunnen beslissen of onze vermogens gebruikt worden door het ego of de Heilige Geest.

Ons bewustzijn van vermogens kan verhoogd worden door ze aan de Heilige Geest te geven voor Zijn doel van genezing. Dit verklaart waarom iemand soms nieuwe bovennatuurlijke krachten schijnt te hebben als de angst in de denkgeest afneemt: “Zij die ‘bovennatuurlijke’ krachten hebben ontwikkeld, hebben gewoon enkele van de beperkingen die zij hun denkgeest hebben opgelegd, opgeheven laten worden” (H25.6:7). Deze vermogens zijn dezelfde voor iedereen en er altijd al geweest. Zodra het eenmaal ontdekt is kan het, zoals alles, gebruikt worden om het geloof in het ego of de Heilige Geest te versterken. Het is belangrijk te onthouden dat het vermogen op zich niets is. Het is het doel dat het dient dat uitermate belangrijk is: “Er zijn maar twee doelen mogelijk. Het ene is zonde (afscheiding), het andere is heiligheid (ongedaan maken van de afscheiding). Daartussen is niets …”(T20.VIII.9:1-3). Hoe indrukwekkend ze ook mogen lijken, deze vermogens zijn slechts schaduwen van het vermogen van de denkgeest om zich “de glorierijke verrassing” te herinneren van Wie we zijn (H25.1:5). En dus kunnen we onze vermogens inzetten voor ons proces van vergeving en genezing, opdat ze mogen dienen om uiteindelijk ons geloof in het lichaam en al zijn ‘vermogens’ ongedaan te maken.