Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#679 Staat de terugreis naar onze Vader nog altijd vast?

Het hele idee dat de reis, Een cursus in wonderen, de terugkeer naar God, geen kwestie van als, maar van wanneer is, heeft me altijd verheugd. De reis staat vast, want de tijd heeft zich ‘ontrold’ toen het afscheidingsidee eenmaal in onze denkgeest was binnengekomen, en toen is de terugreis begonnen en werd de tijd ‘teruggerold’ langs een pad dat ons (uiteindelijk, hoewel het pad breed is en ruimte biedt om af te dwalen), nergens anders brengt dan terug naar onze Vader. In het Nawoord (Vvt.Nw.3.5) zie ik voor het eerst in de Cursus een element van onzekerheid, namelijk “Ons nieuw begin bezit de zekerheid waar het de reis tot nu toe aan ontbrak”. Verder laat het Nawoord met kracht doorschemeren dat we deze reis al eerder begonnen zijn, maar verdwaald zijn…. dat het een “aloude reis” is die naar een “aloude deur” leidt die open gehouden wordt door “het Heilige der Heiligen”. Maar om de een of andere reden, was ons pad niet zeker. Dit heeft me in verwarring gebracht, kunt u dit alstublieft wat toelichten?

Antwoord: Verlies de moed niet! Het is nog altijd wanneer, en niet als. Jezus spreekt (zingt eigenlijk) van waar hij is buiten tijd en ruimte, en zijn visie omvat het gehele Verzoeningspad. Met behulp van symbolen, metaforen en bijbelse beeldspraken, zegt Jezus aan Helen (en aan ons allemaal) dat er in waarheid niets is gebeurd en we nooit werkelijk van God gescheiden zijn geweest: “niet één noot in het lied van de Hemel werd gemist” (T26.V.5:4), en dus is er geen reden om God te vrezen; heeft haat niet over liefde getriomfeerd; en zijn wij niet schuldig aan een onvergeeflijke zonde. We hebben in andere levens misschien andere paden geprobeerd, maar onze beslissing om zijn liefde uiteindelijk te aanvaarden (in de vorm van Een cursus in wonderen) zal de totale oplossing van onze tweeslachtigheid zijn en dat betekent dat we uiteindelijk hebben aanvaard “dat het onware onwaar is, en het ware nooit is veranderd” (WdII.10.1:1). Er wordt onmiskenbaar naar reïncarnatie verwezen, maar wat voor ons een lineair proces lijkt, een reis met veelvuldige wegen, paden en omwegen, is dat vanuit het gezichtspunt van Jezus helemaal niet: voor hem is dat allemaal een geheel. Wat is het toch onmogelijk om woorden te gebruiken om over te brengen wat woorden en het fysieke bestaan volkomen te boven gaat! Voor ons is het een proces waarin we heen en weer worden geslingerd tussen het ego en Jezus, tussen veroordeling en vergeving, maar met het vertrouwen dat we niet zullen falen om ons doel – vrede – te bereiken (WdI.131).

Tot we inzagen wat zijn boodschap was (“Gods Zoon is schuldeloos en in zijn onschuld ligt zijn verlossing” [H1.3:5]), hadden we de tussenweg van het ego gevolgd: waarheid en illusie, liefde en angst, zonde en onschuld, geest en lichaam. Het “nieuwe begin” is dus de verbintenis om uit de droom van afscheiding en dualiteit te ontwaken door ontslag te nemen als onze eigen leraar (T12.V.8:3), en van harte te aanvaarden dat we ons in alles vergist hebben, en met dankbaarheid toe te laten dat we door onze nieuwe leraar onderwezen worden. Dat bedoelt Jezus met deze reis, die nieuw lijkt te zijn, maar dat niet is, omdat we gewoon onze ontkenning van de waarheid ontkennen (T12.II.1:5) en onszelf dus aanvaarden zoals God ons heeft geschapen. We zijn de weg kwijtgeraakt door een valse identiteit in de plaats te stellen van onze ware Identiteit en af te dwalen in een wereld van afscheiding en individualiteit. En dus is “de reis naar God […] slechts het herontwaken van de kennis van wáár jij bent voor altijd, en wát jij bent voor eeuwig. Het is een reis zonder afstand naar een doel dat nooit veranderd is” (T8.VI.9:6-7). In die zin is er geen sprake van wanneer of als, omdat er geen reis in de tijd is. We zijn “thuis in God en [dromen] van ballingschap” (T10.I.2:1). Wanneer dit doel zo duidelijk is, is onzekerheid niets meer dan een verdediging die zal verzwakken en vervolgens volledig verdwijnen.