Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#678 De betekenis van de paragraaf “Naar binnen kijken”

Kun je alinea 3 tot en met 8 uitleggen van de paragraaf “Naar binnen kijken” (T12.VII).

Antwoord: De ruimte is hier te beperkt om deze alinea’s zin voor zin uit te leggen, dus zullen we de voornaamste ideeën toelichten. In alinea 3 en 4 bouwt Jezus voort op de eerste twee alinea’s van deze paragraaf en onderwijst dat de Heilige Geest geen fysieke of tastbare aanwezigheid als persoon is, maar dat wonderen van Zijn Aanwezigheid getuigen, en van waar en wat Hij is. Dat komt doordat wonderen “iedere wet van tijd en ruimte, van grootte en massa” (T12.VII.3.3) overstijgen, en dus moet de bron van wonderen wel de denkgeest zijn, die zich buiten tijd en ruimte bevindt, en in het bijzonder dat deel van onze denkgeest dat de correctie bevat voor alle vergissingen betreffende de afscheiding. Voorafgaande aan deze twee alinea’s verwijst Jezus naar het proces van het veralgemenen waarbij geleerd wordt dat “wonderen geen rangorde naar moeilijkheid kennen” (T12.VII.1:2-3). Wonderen zijn dus niet gebonden aan een wet die in deze wereld geldt – ze doorsnijden tijd en ruimte, omvang en massa. Als de bron van wonderen in onze denkgeest, overstijgt de Heilige Geest dan ook op elke manier de wereld en haar wetten.

De vijfde alinea is uiterst belangrijk en is de kern van wat Jezus ons heel zijn cursus door leert. Het gooit wat we gewoonlijk denken over waar het bij waarneming om draait, volledig overhoop, namelijk dat het begint met uiterlijke stimulansen die onze zintuigen beïnvloeden. Totaal in tegenstelling daarmee, leert Jezus ons dat waarneming het gevolg is van een keuze die onze denkgeest heeft gemaakt om een intern denksysteem waarmee wij ons vereenzelvigd hebben, zichtbaar te maken: “Je ziet wat je verwacht, en je verwacht wat je uitnodigt. Je waarneming is het resultaat van je uitnodiging, en komt naar je toe zoals je haar hebt besteld…. Er zijn in jouw denkgeest twee manieren om naar de wereld te kijken, en je waarneming zal de weerspiegeling zijn van de leiding die jij gekozen hebt” (T12.VII.5:1-2, 6). Dit is een voorbode van het belangrijke principe: projectie maakt waarneming. We kijken eerst naar binnen, beslissen of haat of liefde werkelijk is, en projecteren dan naar buiten wat we van binnen werkelijk hebben gemaakt. Zo verwachten we buiten ons haat te vinden omdat we die daar hebben geplaatst; het is belangrijk te noteren dat dit niet betekent dat onze beslissing verantwoordelijk is voor de daden van iemand anders. Het gaat hier alleen om onze innerlijke ervaring. In die zin nodigen wij (als denkgeest die beslissingen neemt) het ego of de Heilige Geest uit om ons denken te leiden. We zullen weten welke keuze we hebben gemaakt door te kijken naar wat we buiten ons waarnemen, want, zoals al gezegd, is wat we buiten ons waarnemen en werkelijk maken, afkomstig van wat we eerst van binnen werkelijk hebben gemaakt. Vergeving zal zich manifesteren doordat wij steeds beter waarnemen dat we allen dezelfde belangen delen, en dan zullen we ons steeds minder aangetrokken voelen tot de mentaliteit van doden of gedood worden, van wedijver, vergelijkingen, opoffering en krijgen wat we willen ten koste van een ander. De heerschappij van schuld zal zich in onze denkgeest manifesteren door het waarnemen van het slachtofferschap, botsende belangen en doelen, onverzadigbare behoeften, die vergezeld gaan van gevoelens van boosheid, angst, triomf, enz. Merk op dat het hier niet gaat over de objectieve vormen in de wereld, maar over onze waarneming of interpretatie daarvan. Daarom zegt Jezus dat er “twee manieren zijn om te kijken” – we kunnen op twee manieren naar dezelfde vorm kijken (die waarnemen) al naargelang de “leiding” die we hebben gekozen.

Op deze basis gaan alinea 6 tot en met 8 verder. In alinea 5 worden niet alleen de principes van de waarneming versterkt, maar Jezus bespreekt ook het conflict in onze denkgeest bij het zoeken en het vinden van een onaangepaste oplossing voor dat conflict. Het conflict ontstaat door onze beslissing onze afscheiding en onze individualiteit (met alle schuld en zelfhaat die ermee gepaard gaat) in stand te houden, en tegelijkertijd naar liefde te zoeken. Maar de twee (liefde en speciaalheid) zijn onverenigbaar. Dus we proberen liefdevol te zijn zonder speciaalheid op te offeren, en houden zo de splitsing in stand, maar we onderdrukken die doordat we maar één doel lijken te hebben: “de illusie van integriteit” (T12.VII.7:9): liefde. Deze innerlijke splitsing tussen het verkeerde denken (het denksysteem van haat) en het juiste denken (het denksysteem van liefde), moet, als het niet in de denkgeest wordt opgelost, naar buiten worden geprojecteerd, en dat betekent dat het goede en het kwade buiten ons wordt gezien, en niet in onze eigen denkgeest, waar we altijd de gelegenheid hebben de illusoire aard van het verkeerde denken te aanvaarden. De wereld, zowel de persoonlijke als de collectieve, zal dan worden gezien als een slagveld met eindeloze conflicten tussen tegengestelde krachten. De ‘goede’ mensen zullen dus proberen degenen te vernietigen die ze slecht vinden, en het gevoel hebben dat dit gerechtvaardigd is en zelfs met goddelijke goedkeuring gebeurt. Hoeveel voorbeelden zijn er niet door de eeuwen heen van veroordeling en dood die werden toegestaan in de naam van de liefde? Uit liefde voor hun God en Jezus hebben mensen anderen veroordeeld en gedood; het vermoorden van heidenen en ketters door christenen is hier maar één voorbeeld van.

Martelaarschap en opoffering getuigen van dezelfde projectie: de zuiveren en onschuldigen lijden en sterven door toedoen van de slechterikken en de verdorvenen. Het is dus buiten de denkgeest dat de splitsing in de denkgeest wordt gezien en dat er naar gehandeld wordt. Religies geven hier een stem aan door te onderwijzen dat zowel lijden als dood door God geëist en gezegend wordt. Dit is de liefde die voortkomt uit de denkgeest die ervoor gekozen heeft de afscheiding werkelijk te houden en tegelijkertijd naar liefde te zoeken. Gescheiden en tegenstrijdige belangen hebben de overhand.

Wanneer je in conflict bent omdat je zowel speciaalheid als liefde wilt, en dit conflict onopgelost in de denkgeest blijft, zal ons zoeken naar liefde altijd besmet worden door ons verlangen naar speciaalheid, en dat betekent helaas dat we meestal denken dat we uit liefde handelen, terwijl we in werkelijkheid gedreven worden door het egoïsme van de speciale liefde, zoals door de bovengenoemde voorbeelden duidelijk bevestigd wordt. Dat is het doel van wat Jezus onderwijst: ons te helpen inzien wat we aan het doen zijn, zodat we de splitsing in onze denkgeest kunnen helen, en die niet verder blijven projecteren. In alinea 8 zegt hij ons dus: “wanneer je louter liefde wilt, zul je niets anders zien” (T12.VII.8:1). Er is misschien niets veranderd in de wereld, maar wanneer we in onze denkgeest hebben gezien en tegen het ego hebben gekozen, zullen we alleen liefde waarnemen: gedeelde belangen, een uitbreiding van liefde of een roep om liefde, zonder uitzonderingen.

Nogmaals, als je wilt weten welke leraar je gekozen hebt, let dan op de manier waarop je waarneemt wat buiten jou lijkt te zijn – hoe je erop reageert. Waarneming is interpretatie. Zie je overal om je heen het kwaad en zonde die roepen om de ego-versie van rechtvaardigheid (straf en wraak)? – of zie je een bange roep om liefde? Welke van de twee je ziet, zal bepaald worden door de leraar die je innerlijk hebt gekozen.