Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#671 Wat is de betekenis van geesten?

Mijn vraag gaat over geesten. Dit is een algemeen voorkomend geloof in deze wereld. Zie de parallellen met de verloren ziel, die in een droomwereld leeft, zonder fysieke aanwezigheid, weigert zich bewust te zijn van de dood van het lichaam, en de wereld die ze kent niet wil verlaten. Het lijkt alsof er iets is met dat idee van geesten. Is dit wijdverbreide geloof verzonnen door het ego om onze herinnering aan onze werkelijkheid en onze afgescheidenheid weg te redeneren?

Antwoord: Het is een van de meest bedrieglijke trucs van het ego om één aspect van zijn denksysteem eruit te lichten en het vervolgens een aparte definitie binnen onze ervaring te geven. Zo zien we niet dat het een integraal onderdeel is van de gehele ‘werkelijkheid’ onder de kwaadwillige regering van het ego. En dus vereist het iemand van buiten dit gedachtesysteem - of iemand die hier niet volledig mee geïdentificeerd is - om voorbij de sluiers van misleiding en verwarring te kijken die we tussen deze valse ‘werkelijkheid’ en onze ware Identiteit geplaatst hebben.

Wij ervaren bijvoorbeeld een verschil tussen slapen en wakker zijn, en dan horen dromen bij de slaap. En dus geloven we het verschil te weten tussen wel of niet slapen, het verschil tussen dromen en werkelijkheid. We vragen ons nooit af of de verschillende denkstaten die we ervaren in de wereld, geen betekenisloze verschuivingen zijn binnen één doorgaande droom waarin we voortdurend slapen. Omdat we denken dat er verschil is tussen onze staat van waken en onze staat van dromen, vragen wij ons nooit af of we wel weten wat het is om wakker te zijn. Maar Jezus doet dat wel (T10.1.2,3; T18.II.5).

Zo hebben we ook definities van krankzinnigheid en geestelijke ziekten, die we alleen van toepassing verklaren op sommige mensen, terwijl we zelf geloven geestelijk gezond te zijn. En dus, omdat wij denken te weten wat krankzinnigheid is, overwegen we nooit de mogelijkheid dat al ons denken hier krankzinnig is. Maar Jezus weet beter (T9.VII.6; T10.V.10; T23.II.14).

En dan geloven we dat wij het verschil tussen leven en dood kennen. Voor ons zijn dat duidelijk twee toestanden van het lichaam die elkaar uitsluiten. We weten dat wíj leven en we kunnen door zeer objectieve criteria zien wie dood is. En dus vragen wij ons nooit af of ons hele bestaan niet een vorm van dood is, gebaseerd op het geloof dat we ons kunnen afscheiden van het Leven. Maar Jezus kan ons naar een andere conclusie leiden (T23.II.19; WdI.167).

En natuurlijk denken we te weten wat het verschil is tussen liefde en haat, omdat we geloven dat we de vormen ervan zo gemakkelijk kunnen herkennen. En dus vragen wij ons nooit af of wat wij liefde noemen niet gewoon een gecamoufleerde vorm van haat is. Maar Jezus is niet misleid (T16.VII:5; T23.II:17; T23.III.1,2; T29.I.6,7).

En dus zijn geesten inderdaad een afleiding van het ego - Bestaan ze echt? Is er individueel leven na de dood? – en dit verbergt een diepere waarheid. Want als geesten zouden bestaan, dan zien we ze als iets anders zijn dan wat wíj zijn: levend en concreet en werkelijk. En dus overwegen we nooit of het zelf dat we denken te zijn, niet in feite niets anders is dan een spookachtig schaduw van ons werkelijke Zelf. Jezus weet beter en helpt ons de afschuwelijke aard van dit spookachtige bestaan, dat wij leven noemen, te doorzien.

En zo laat hij de gevolgen van onze keuze voor het ego zien, een keuze tegen ons ware Zelf: “Ontken je eigen Identiteit, en je zult niet ontsnappen aan de waanzin die geleid heeft tot deze vreemde, onnatuurlijke en spookachtige gedachte die de schepping bespot en God uitlacht. Ontken je eigen Identiteit en je valt in je eentje het universum aan, zonder vriend, een nietig stofdeeltje tegenover de legioenen van je vijanden. Ontken je eigen Identiteit, en kijk naar het kwaad, de zonde en de dood, en zie hoe de wanhoop elk greintje hoop uit je vingers graait, en jou met niets achterlaat dan de wens te sterven.” (WdI.191.3 cursivering auteurs)

Maar Jezus laat ons niet achter terwijl we gevangen zitten in de egoval, maar ziet dat wij als kleine kinderen zijn, en stelt ons gerust:

“Kinderen zien angstaanjagende spoken, monsters en draken, en zijn door angst bevangen. Maar als ze iemand die ze vertrouwen naar de betekenis vragen van wat ze zien, en bereid zijn hun eigen interpretaties los te laten ten gunste van de werkelijkheid, verdwijnt daarmee hun angst. Wanneer een kind geholpen wordt zijn ‘spook’ te vertalen in een gordijn, zijn ‘monster’ in een schaduw en zijn ‘draak’ in een droom, is het niet langer bang, en lacht het vrolijk om zijn eigen angst.

Jij, mijn kind, bent bang voor je broeders, voor je Vader en voor jou zelf. Maar je vergist je slechts in hen. Vraag aan de Leraar van de werkelijkheid wat zij zijn, en als je Zijn antwoord hoort, zul ook jij om je angsten lachen en ze door vrede vervangen. Want angst ligt niet in de werkelijkheid, maar in de denkgeest van kinderen die de werkelijkheid niet begrijpen. Het is alleen hun gebrek aan begrip dat hen angst aanjaagt, en wanneer ze waarlijk leren zien zijn ze niet bang. En daarom zullen ze opnieuw om de waarheid vragen wanneer ze angstig zijn. Het is niet de werkelijkheid van je broeders of je Vader of jou zelf die jou angst aanjaagt. Jij weet niet wat ze zijn en daarom zie je hen als spoken, monsters en draken. Vraag aan Degene die wel weet wat hun werkelijkheid is, en Hij zal je zeggen wat zij zijn. Want jij begrijpt hen niet, en omdat je misleid bent door wat je ziet, heb je de werkelijkheid nodig om je angsten te verjagen.

Wil jij je angsten niet verruilen voor de waarheid als die ruil plaatsvindt, mits je er maar om vraagt? Want als God zich niet in jou vergist, kun jij je alleen in jezelf vergissen. Maar jij kunt de waarheid over jezelf leren van de Heilige Geest, die jou zal onderwijzen dat er in jou, als deel van God, geen vergissing mogelijk is.” (T11.VIII.13-15)