Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#670 Wat wordt bedoeld met “Vraag mij welke wonderen je verrichten moet”?

Mijn vraag gaat over wonderen. Les 345 van het Werkboek van Een cursus in wonderen zegt: “Vandaag bied ik niets dan wonderen aan, want ik wil graag dat ze naar mij terugkeren.” Wanneer ik een wonder aanbied, bied ik dan liefde en vergeving aan? Jezus zegt: “Vraag mij welke wonderen je verrichten moet. Dat bespaart jou onnodige moeite…”(T1.III.4:3,4). Wat betekent dit?

Antwoord: Les 345, net als alle lessen in deel II van het Werkboek, is een prachtig gebed tot onszelf om ons het onderwijs van de Cursus te herinneren en het in ons leven toe te passen. We worden eraan herinnerd alles te zien als een kans om de oordelen van het ego, die vol haat zijn, te laten transformeren in het wonder van vergeving. Het wonder vindt plaats wanneer we ons herinneren dat niets buiten de denkgeest enig gevolg heeft. Dit betekent dat niets buiten ons, en niets wat anderen doen of zeggen, onze vrede kan verstoren. Het verlies van innerlijke vrede wordt alleen veroorzaakt door de keuze van de denkgeest om te geloven in de afscheiding, in plaats van zich te verenigen met de Heilige Geest. De Heilige Geest vertegenwoordigt het deel van de denkgeest dat zich herinnert dat we één zijn met onze Vader. Wonderen aanbieden betekent: niets en niemand de schuld geven van onze onvrede, en ons herinneren dat deze een gevolg is van de keuze in onze denkgeest. We vergeven anderen door ze te ontslaan van de verantwoordelijkheid voor onze staat van denken en onze ervaringen binnen de droom. Zo leren we “de Zoon van God te vergeven voor wat hij niet heeft gedaan” (T17.III.1:5).

Er wordt ons niet gevraagd om te ontkennen dat anderen zich kwetsend kunnen gedragen jegens ons. Wat ons gevraagd wordt is om de verantwoordelijkheid voor onze eigen keuze in de denkgeest te aanvaarden. Want het is deze keuze die de gevoelens van pijn en verraad veroorzaakt, hoewel die door het gedrag van anderen ten opzichte van ons lijken te komen. De erkenning dat we zelf verantwoordelijk zijn voor deze keuze is het meest liefdevolle wat we kunnen doen voor zowel onszelf als de ander. Door het wonder dat we aanbieden en ontvangen erkennen we dat wij allen een denkgeest hebben met dezelfde macht om te kiezen of we willen luisteren naar de leugen van het ego of naar de boodschap van de Heilige Geest. Het ego zegt dat we afgescheiden zijn, de Heilige Geest vertelt ons dat we één zijn met onze Vader. Wanneer we bereid zijn om op deze manier vergeving te beoefenen, kan de Heilige Geest via ons liefde uitbreiden. De uitbreiding van liefde gebeurt onder Zijn leiding. Dat wordt bedoeld met: “Vraag mij welke wonderen je verrichten moet.” (T1.III.4:3)

Jezus vraagt ons om hem om leiding te vragen. Want samen met de Heilige Geest vertegenwoordigt hij het deel van onze denkgeest dat zich de eenheid met God herinnert. Omdat wij dat deel gedissocieerd hebben is het behulpzaam om een symbool als Jezus of de Heilige Geest te hebben. Zij dienen ons als gids naar de juist-gerichte waarneming die de vervormingen van het ego niet ziet. Hen om leiding vragen weerspiegelt onze bereidwilligheid om oordelen los te laten en daardoor waar te nemen zoals zij. Dat is de kern van het vergevingsproces, waarbij de blokkades, gevormd door onze oordelen, worden verwijderd.

Vragen welke wonderen je moet verrichten betekent dat je niet op eigen houtje beslist hoe je een situatie waarneemt of hoe je op iemand reageert, omdat we het niet weten. Dit vereist dat we bereid zijn om de oordelen van het ego onder ogen te zien, ze los te laten en te vragen om een andere waarneming. Dat maakt de weg vrij voor de uitbreiding van liefde, die moeiteloos is omdat ze geheel natuurlijk is: “Van Christus leren is makkelijk, want met Hem waarnemen brengt in het geheel geen belasting met zich mee. Zijn waarnemingen volgen je natuurlijke gewaarwording, en het zijn alleen de vervormingen die jij aanbrengt die jou moe maken.” (T11.VI.3:7,8) De enige ‘moeite’ die ons gevraagd wordt, is ‘een klein beetje bereidwilligheid’. Hierdoor kunnen we een vraagteken zetten bij hoe we onze identiteit en ervaringen interpreteren. Een flauw vermoeden dat we ons mogelijk vergissen in onze overtuiging dat we afgescheiden zijn van onze Bron en van elkaar, volstaat: “Verlossing, volmaakt en volledig, vraagt slechts: de kleine, bescheiden wens dat wat waar is waar zou zijn, het kleine beetje bereidwilligheid om voorbij te zien aan wat er niet is, en de kleine verzuchting die zijn voorkeur uitspreekt voor de Hemel boven deze wereld waar dood en troosteloosheid lijken te heersen.” (T26.VII.10:1) Ieder keer dat we deze kleine moeite nemen, neemt ons geloof in het egodenksysteem af en wordt onze angst voor de liefdevolle waarneming van de Heilige Geest minder. Dat is het wonder dat we aanbieden aan onszelf en aan het gehele Zoonschap.