Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#650 Verwijzingen in het Tekstboek naar de ‘keuzemaker’

Ik wil de deelnemers aan mijn studiegroep stimuleren zich bezig te houden met de metafysica van Een cursus in wonderen. Een manier om die te introduceren is misschien door middel van de verwijzingen naar de ‘waarnemer’ of de ‘keuzemaker’ in het Tekstboek. Zou je misschien vijf fragmenten kunnen noemen die de deelnemers kunnen bestuderen, om zo een begin te maken met het proces van het waarnemen van hun denken?

Antwoord: In zekere zin gaat de hele Cursus over het leren herkennen van ons ego, een stap terug doen en het ego waarnemen. Zo gaan we steeds meer begrijpen wat de consequenties zijn van de keuze voor het ego, zodat we een andere keuze kunnen maken - voor en met de Heilige Geest of Jezus (T11.V.1,2). En het is alleen de denkgeest die ervoor kiest om ofwel te ontkennen en te verbergen, ofwel te kijken en los te laten. Jezus richt zich in de Cursus altijd tot onze denkgeest als de keuzemaker, en moedigt ons aan een andere keuze te maken - tegen het ego. Dat neemt niet weg dat sommige paragrafen en passages dit belangrijke aspect van het onderwijs van de Cursus in het bijzonder kunnen verhelderen. Hier volgen er een paar:

Aan het begin van de Cursus, in de paragraaf “Dit hoeft niet zo te zijn” (T4.IV.1-8), vertelt Jezus ons dat de staat van onze denkgeest (onze houdingen, gevoelens en gedrag) de weerspiegeling is van een keuze die we maken. Telkens wanneer we niet vreugdevol zijn, wanneer we ons bedroefd, depressief, angstig of schuldig voelen, betekent dat dat we het ego kiezen. En toch, zo stelt Jezus ons gerust, geldt voor elk egogevoel dat dit niet zo hoeft te zijn, als we waakzaam zijn en onze denkgeest onderzoeken “op de verleidingen van het ego” (T4.IV.6:1). Want onze denkgeest, verenigd met de denkgeest van Jezus, kan het ego wegschijnen. Het gebed in de afsluitende alinea van hoofdstuk 5 maakt dit punt nog eens zeer duidelijk (T5.VII.6).

In “Naar binnen kijken” (T12.VII.5-15), weidt Jezus verder uit over de aard van de keuze die we altijd in onze eigen denkgeest maken. Die keuze bepaalt hoe we de wereld zien en hoe we erdoor beïnvloed lijken te worden. Hij bespreekt ook de angst die naar binnen kijken in ons oproept, omdat we geloven dat daar schuld is.

Later in de tekst, in “De verantwoordelijkheid voor het zien” (T21.II), benadrukt Jezus opnieuw de macht van onze denkgeest in het bepalen van wat we zien en ervaren. Jezus vertelt ons dat op een dieper metafysisch niveau onze eigen gedachten letterlijk de oorzaak zijn van alles wat we zien. Maar op een meer praktisch, dagelijks niveau, kunnen we deze paragraaf begrijpen als een hulp om te zien dat het onze keuze is hóe we gebeurtenissen in onze wereld zien of interpreteren. Die keuze bepaalt onze reacties op een gebeurtenis, en niet de gebeurtenis zelf (T21.In.1).

In “De dromer van de droom”(T27.VII) beschrijft Jezus eerst hoe wij onszelf zien als onschuldige slachtoffers van de wereld. Dan laat hij zien dat we aan ons lijden kunnen ontsnappen door eenvoudigweg naar het probleem te kijken zoals het is – een keuze die we in onze denkgeest gemaakt hebben voor zonde en schuld – en niet zoals wij het hebben opgesteld. Het lijkt immers alsof we niet een denkgeest zijn, maar een lichaam dat overgeleverd is aan de genade van een wereld buiten zichzelf. Maar aan het einde van de paragraaf verzekert Jezus ons: “Jij bent de dromer van de wereld van dromen. Een andere oorzaak heeft ze niet, en zal ze ook nooit hebben” (T27.VII.13:1,2). Hij wil graag dat wij begrijpen dat onze waarnemingen van slachtofferschap een doelbewuste poging zijn onszelf als een lichaam te zien in plaats van als een denkgeest. Zo blijft de keuze in onze denkgeest die áchter onze ervaringen schuilt, voor altijd verborgen en daarmee uitgesloten van onderzoek en verandering. De daaropvolgende paragraaf: "De ‘held’ van de droom” (T27.VIII), gaat ook over deze zelfopgelegde kunstgreep waarmee we onszelf misleiden, en onthult: “Het geheim van de verlossing is slechts dit: dat jij jezelf dit aandoet” (T27.VIII.10:1). Deze uitnodiging om eerlijk te kijken naar wat we in werkelijkheid doen met ons ego, vraagt om - vaak pijnlijke - zelfobservatie van onze eigen verinnerlijkte schuld, die we in alles en iedereen willen zien behalve in onszelf.

“Droomrollen” (T29.IV) gaat verder met de behulpzame metafoor van de droom. Ons wordt gevraagd om te zien hoe onze woede op anderen altijd ons oordeel weerspiegelt dat zij gefaald hebben de rol te vervullen die we hen in onze dromen hebben toegedicht, namelijk om onze eigen behoeften te vervullen. Op een dieper niveau echter hebben ze wel degelijk de rol vervuld die wij hen gegeven hebben, want nu zijn zíj duidelijk de ‘oorzaak’ van onze pijn en ellende, in plaats van een keuze die wij zelf in onze eigen denkgeest hebben gemaakt voor zonde en schuld. Het bestaan van het ego is hierdoor veiliggesteld. Nogmaals, het eerlijke zelfonderzoek dat nodig is om dit soort drijfveren in onszelf te herkennen, kan heel pijnlijk zijn, vooral wanneer we ze voor het eerst beginnen bloot te leggen.

Tegen het einde van het Tekstboek vraagt “De visie van een verlosser” (T31.VII) ons om naar de concepten te kijken die we zowel van onszelf als van onze broeders gemaakt hebben, inclusief het geloof dat we lichamen zijn die kunnen kwetsen, gekwetst kunnen worden en sterven. Als we de bereidwilligheid vinden om te zien dat wij en onze broeders hetzelfde zijn en niet verschillend, verdwijnt de investering om onszelf als goed en anderen als slecht te zien, in een poging om onze eigen onschuld te verwerven ten koste van de schuld van alle anderen. Ons verborgen concept van een zondig en slecht zelf kan dan ingewisseld worden door een zelfconcept van vriendelijkheid en vergeving, waarbij we het schuldige zelfconcept, dat we zelf gemaakt hebben, aan de Degene geven Die niet wordt misleid door de leugens van het ego.