Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#638 Hoe kunnen we vergeving waarnemen?

“Laat me vergeving zien zoals ze is” is een gebed uit het Werkboek (Wdl.134). In het Tekstboek leren we dat vergeving een soort selectief herinneren is. (T17.III.1:3) Dit verwijst naar de denkgeest. Naar mijn mening vindt waarneming plaats op het materiële vlak met gebruik van onze zintuigen. Hoe kunnen we vergeving dan waarnemen?

Antwoord: Dit is buitengewoon moeilijk voor ons om te bevatten, maar het onderricht van Een cursus in wonderen heeft altijd betrekking op de denkgeest. Het lichaam met zijn zintuigen, en de uiterlijke wereld waarin het lijkt te bestaan, zijn niets anders dan de projectie van afscheidingsgedachten in de denkgeest en zijn gedachten van zonde, schuld en angst die worden geassocieerd met de afscheiding van God. Het lichaam is de belichaming van deze gedachten en niet autonoom of iets wat op zichzelf staat. Dit is de basis voor enkele zeer radicale - voor velen schokkende - verklaringen in de Cursus, zoals: “Maar de beelden en geluiden die het lichaam kan waarnemen hebben geen betekenis. Het kan zien noch horen. Het weet niet wat zien is, en waar luisteren toe dient. Het is even weinig in staat waar te nemen als het kan oordelen, begrijpen of weten. Zijn ogen zijn blind, zijn oren doof…..Ze werden gemaakt om een wereld te zien die er niet is…” (T28.V.4:4-8; 5:4). De Cursus gebruikt hiervoor de term onware waarneming.

Dus is vergeving een onderdeel van het proces om het doel dat het ego voor het lichaam heeft (versterking van het geloof in afscheiding), te vervangen door het doel van de Heilige Geest. Zijn doel is om de ware waarneming in onze denkgeest te herstellen, wat betekent dat wij zien dat iedereen gelijk is en we allemaal hetzelfde doel delen: thuiskomen in God. Zo leren we ons alleen dát herinneren wat de waarheid weerspiegelt: onze eenheid als Gods Zoon. Al het andere kunnen we vergeten, want het is zonder betekenis. Dit is de functie van ware waarneming, de correctie van onware waarneming (VvT.4).