Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#618 Is het redelijk dat een hulpverlener verwachtingen koestert?

Ongeveer een jaar geleden werd bij mijn zuster de diagnose kanker gesteld. Ze kreeg nog zes maanden te leven. Daarop zijn mijn man en ik haar met alternatieve therapie gaan helpen. Ze kon niet werken en werd dus voor hulp financieel afhankelijk van ons. De therapie heeft duidelijk enig succes gehad, maar zij blijft naar negatieve symptomen in haar gezondheidstoestand zoeken. Wij vinden dat ze meer voor zichzelf kan doen, want ze blijft roken, neemt geen lichaamsbeweging, en vertrouwt teveel op magie. Haar afhankelijkheid van ons wordt alsmaar groter en we hebben het gevoel dat ze haar eigen kracht verliest uit het oog verliest. Hoe kan ze onafhankelijk van ons worden terwijl wij haar nog altijd helpen? Mogen we iets van haar verwachten?

Antwoord: In Een cursus in wonderen zegt Jezus ons: “Het is niet aan jou je broeder te veranderen, maar alleen hem te aanvaarden zoals hij is” (T9.III.6:4). En zijn woorden gelden net zo goed voor zusters! Vóórdat je nu besluit dat je niet verder wilt lezen: weet dat deze woorden niet gaan over wat je al dan niet voor je zus moet doen, maar alléén over je houding tegenover haar. Het gaat erom dat we alleen maar ons ego en de ego’s van degenen waarmee we een relatie hebben versterken als we op eigen kracht beslissingen nemen. De paragraaf over “De correctie van vergissingen” waar bovenstaande zin vandaan komt maakt dit duidelijk. Want in situaties zoals die met je zus, zullen we onvermijdelijk het gevoel hebben dat we gebruikt worden, of sterker, dat er misbruik van ons wordt gemaakt. En dat zijn geen gevoelens die voortkomen uit ons juist gerichte denken. Handelingen gebaseerd op die gevoelens zijn naar niemand liefdevol.

Het is best mogelijk dat het voor je zus het beste zou zijn als ze onafhankelijker van jullie wordt. Maar zolang jij een persoonlijke investering hebt in haar onafhankelijk worden, zal alles wat je doet een aanval zijn, niet alleen op haar, maar ook op jullie zelf. Het kan ook zijn dat afhankelijk van jullie blijven haar het meest helpt. Het is niet aan jou te beoordelen wat haar het beste helpt, want je weet niet wat voor jullie zelf het meest behulpzaam is. Dit mag ferme taal lijken, maar dit bedoelt Jezus wanneer hij ons in een van de eerste werkboeklessen vraagt te overwegen: “Ik begrijp niets van wat ik zie” (WdI.3). Let wel: hij zegt niet dat we veel van wat we zien niet begrijpen. De werkboeklessen “Ik ben nooit in onvrede om de reden die ik denk” (WdI.5), en “Ik zie niet wat mijn hoogste belang is” (WdI.24) gaan over hetzelfde thema. Hij bedoelt al deze uitspraken heel letterlijk, hoewel ons ego vindt dat dit gewoon onterechte principes zijn en het zijn zienswijze weet te rationaliseren en rechtvaardigen!

Nu kunnen jullie gewoon de duidelijke manipulaties van je zus niet langer willen tolereren en je gedwongen voelen om grenzen te stellen en voorwaarden voor de voortzetting van jullie ondersteuning. Zulke gevoelens en handelwijzen zijn waarschijnlijk niet verstoken van jullie eigen ego-investering. Toch kun je op zijn minst erkennen hoever je met Jezus’ zienswijze mee wilt gaan en waar je vindt dat je je eigen beslissing moet nemen. Want als je doorgaat je zus schijnbaar tegen je wil te ‘tolereren’, en je uiteindelijk het gevoel krijgt dat je jezelf opoffert en boos op haar wordt, dan is dat evenmin liefdevol, voor niemand van jullie. De sleutel is om, voordat je verdergaat, je van mogelijke schuld bewust te zijn, die je wellicht als woede op je zus projecteert. Vervolgens kun je die schuld naar Jezus brengen om hem los te laten.

Als we ons met ons ego vereenzelvigen dan maken we ons altijd druk om waar anderen zich mee bezig houden en wat wij daar al dan niet aan moeten doen. Jezus vraagt ons slechts om ons ego een ogenblik los te laten. Want in dat ogenblik kunnen we de helderheid vinden waar we naar zoeken, en dat heeft niets te maken met wat we doen, maar alles met hoe we onszelf en anderen zien. Onthoud: hij vraagt altijd alleen maar een “beetje bereidwilligheid” van ons, en hij belooft dat hij dan voor de rest zorgt (T18.IV.2;V.2).