Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#612 Hoe kan ik God liefhebben?

In de paragraaf “De god van de ziekte” staat er in de eerste zin: “Jij hebt God niet aangevallen en jij hebt Hem wel degelijk lief.” (T.10.III.1) Hoewel ik deze uitspraak en wat Een cursus in wonderen onderwijst, wel geloof, vind ik het moeilijk om te begrijpen, naar waarde te schatten, en te aanvaarden – welk woord er ook toepasselijk is – dat ik God liefheb. Dat zijn voor mij maar woorden. Is de oplossing dat ik iedereen die ik ontmoet, zie of aan wie ik denk, moet liefhebben?

Antwoord: Jezus richt zich in de Cursus altijd tot de denkgeest, en in dit geval het juiste denken, dat deel van de denkgeest dat zich Gods Liefde voor zijn Zoon, en de liefde van de Zoon voor Zijn Vader, herinnert. Deze passage verwijst naar de ware relatie tussen de Vader en de Zoon die onveranderd blijft, ondanks het waanzinnige geloof van het ego in de afscheiding. Ze spreekt van een liefde die we vergeten zijn, doordat we ervoor gekozen hebben te geloven dat we van God gescheiden zijn. Ze zegt niet dat iemand die zich in de droom met een lichaam vereenzelvigt, God liefheeft. In deze wereld is er geen liefde voor God (of voor wie ook). “De wereld werd gemaakt als een aanval op God. Ze symboliseert angst. En wat is angst anders dan de afwezigheid van liefde? De wereld was aldus bedoeld als een plaats waar God [Liefde] niet binnen kon gaan en waar Zijn Zoon van Hem gescheiden kon zijn” (WdII.3:2:1-4). ‘Liefde’ in de wereld is een speciale liefde die gebaseerd is op het bevredigen van onze behoeftes door personen, voorwerpen of gebeurtenissen (Zie T16.IV).

Het antwoord op je vraag vereist een onderscheid tussen de twee onderwijsniveaus die je in de Cursus vindt. Het eerste niveau is een afspiegeling van de waarheid van onze eenheid met God in de werkelijkheid van de Hemel. Passages zoals jij er een aanhaalt, zijn uitspraken van het eerste niveau; ze zijn een afspiegeling van de onveranderlijke werkelijkheid die zich buiten tijd en ruimte bevindt, en naar ons ware Zelf verwijzen. Maar omdat Jezus weet dat wij geloven dat de afscheiding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, en geloven dat we personen in een lichaam zijn, spreekt hij ook tot ons op het tweede niveau: het niveau van onze ervaring in de droom. Op dit niveau kan het onze ervaring zijn dat we ‘religieus’ of ‘spiritueel’ zijn, en God dan ook ‘liefhebben’ of, zoals jij zegt, er geen gedachte over hebt dat je God liefhebt. Nog het ‘liefhebben’, noch het ‘niet-liefhebben’ is de liefde waarnaar Jezus verwijst.

Wanneer de Cursus over liefde spreekt, verwijst hij altijd naar het eerste niveau: de liefde die tot de onveranderlijke werkelijkheid van onze ware identiteit als Gods ene Zoon behoort. Er wordt ons niet gevraagd deze liefde aan te leren, “want dat gaat wat onderwezen kan worden te boven” (T.In.1:6). De oplossing is dus niet om te proberen iedereen in de droom lief te hebben, want hen niet liefhebben is niet het probleem. Het probleem is te geloven dat de afscheiding en de daaruit volgende liefdeloosheid werkelijk zijn, en de oplossing is je denken van deze waanzinnige gedachte te genezen.

Om in contact te komen met dat deel van onze denkgeest dat zich Gods Liefde voor ons, en die van ons voor Hem herinnert, moeten we inzien hoe hevig we ons tegen deze liefde verdedigen, wat tot uiting komt in alle manieren waarop we ons door onze oordelen van elkaar afscheiden. Telkens wanneer we ons bewust worden van een oordeel, hebben we de gelegenheid om te zien dat we een keuze hebben gemaakt waarbij we er de voorkeur aan geven om afgescheiden in een lichaam te zijn, in plaats van één met God in Zijn Liefde. De schuldgevoelens over deze keuze worden dan naar buiten, naar anderen, geprojecteerd, in de vorm van een aanval: “Als jij je niet schuldig voelde, zou je niet kunnen aanvallen [oordelen], want veroordeling is de wortel van de aanval. Het is het oordeel van de ene denkgeest over de andere dat hij liefde onwaardig is en straf verdient” (T13.In.1:1-2, onze cursivering). Het is deze gedachte die onder onze relaties ligt die door de Heilige Geest door middel van vergeving omgezet dient te worden. (Zie ook V#059, V#206 en V#272).